mcooijman

Het drietal

drietal

Het drietal

drietal

Maandag 21:15

“Wat kijk je nou, ouwe? Zoek je ruzie of wa?”
“Kijk ‘m tantoebang zijn!”
“Klap erop dan!”
De drie jongens stoten elkaar lachend aan. Arend schat dat ze een jaar of vijftien zijn, maar dat maakt de knoop in zijn buik niet minder aanwezig. De blik in hun ogen is doordrongen van haat en afkeer tegen alles en iedereen. Hij is op de verkeerde plek op het verkeerde moment. Als hij een blik over zijn schouder werpt, springt een van de jongens over het bankje en gaat achter hem staan.
“Waar ga je heen dan?”
De andere twee jongens sluiten de weg voor hem af en al zijn nekharen gaan overeind staan. Arend slikt en heft zijn twee handen langzaam op om te laten zien dat hij geen kwaad in de zin heeft. Dit tot hilariteit van zijn belagers.
“Kijk dan. Hij schijt ‘em.”
“Luister jongens, ik wil geen narigheid. Ik ben alleen maar onderweg naar huis.”
De grootste van het drietal stapt dreigend op hem af. Zijn donkere ogen vernauwen zich tot spleetjes en hij trekt zijn kin lichtjes in. Om zijn lippen ligt een spottende grijns.
“Gaat je doekoe kosten.”
“Wat?”
“Dat wordt betalen, ouwe.”
De andere twee jongens lachen weer, terwijl ze steeds dichter om hem heen gaan staan. Ongewild krimpt Arend lichtjes in elkaar. De minimale verandering in zijn lichaamshouding heeft een enorm effect op de jongens, die hun borstkassen nu nog verder oppompen. Ze kijken elkaar voortdurend aan. Hun lippen trekken zich op en Arend denkt ongewenst aan een groep hyena’s.
“Ik heb geen geld bij me.”
“Dan betaal je maar op een andere manier.”
“Mooi horloge, ouwe.”
“Jongens kom op. Dat was nog van mijn vader.”
De grootste van de drie komt nu bijna tegen hem aan staan. Hij steekt zeker een kop boven Arend uit, maar buigt zich voorover zodat hun ogen op gelijke hoogte zijn. Arend ruikt de hasj in zijn kleding en de energydrank in zijn adem. Het is godverdomme een puber. Hij wordt hier geïntimideerd door een of ander stuk schorem.
“Nou is het van mij.”
De hand van de jongen schiet uit en klauwt zich om Arends pols. Zijn instinct neemt het over. Hij trekt zijn hand terug en stapt achteruit. Daar botst hij tegen een van de andere knullen, die hem een harde duw vooruit geeft. Voor hij kan registreren wat er gebeurt voelt hij hoe zijn linkeroogkas wordt opgevuld door een ijskoud vierkant blok. De wereld voor hem wordt zwart, doorspekt met spikkels licht die heen en weer dansen. Hij probeert met zijn ogen te knipperen, maar datzelfde harde blok raakt hem in zijn maagstreek. Arend klapt dubbel terwijl zijn eten zich een weg naar boven probeert te werken en de lucht om hem heen juist een weg naar beneden. Even stopt de wereld, maar dan krijgt hij ineens een flinke ademteug binnen. Een trap tegen de achterkant van zijn knieholte zorgt ervoor dat hij op het grindpad terecht komt. Voor Arend op kan staan, ziet hij de neus van een sneaker op zich afkomen. Hij werpt zijn armen voor zijn gezicht en maakt zichzelf zo klein mogelijk. De harde knal tegen de achterkant van zijn hoofd, is het laatste dat hij voelt.

Dinsdag 16:40
“We hebben het horloge momenteel in ons bezit en het zal uiteraard zo snel mogelijk aan u geretourneerd worden. Alleen…”
Arend kijkt de jonge agent aan. Hij zal nog geen vijfentwintig zijn. Zijn haar is aan de zijkanten opgeschoren en zijn ademsappel beweegt onrustig heen en weer. De jongen, want dat is het nou eenmaal in zijn ogen, houdt zelfs met trillende vingers zijn koffiekopje vast. Nerveus. Vast zijn eerste gesprek alleen. Zijn partner, die ook aan de keukentafel zit, heeft het hele gesprek nog geen woord gezegd. Ze heeft alleen maar naar haar collega gekeken en af een toe een blik op Arend geworpen. Een beleefd glimlachje hier en daar, maar geen enkele persoonlijke connectie. Die knul probeert het tenminste nog.
“Alleen?”
“Nou, ik vrees dat er niet veel van over is, meneer Takema.”
“Wat bedoel je?”
“Het lijkt erop dat ze… nou ja… dat ze op het uurwerk zijn gaan staan.”
“Gaan staan? Expres bedoel je?”
Dit is waar de vrouw eindelijk reageert. Ze legt haar hand op de arm van haar collega en schudt kort maar kordaat met haar hoofd. Hij zakt terug in de stoel met een verslagen blik en laat haar het gesprek overnemen.
“Daar kunnen we nu nog niets overzeggen, meneer. Het onderzoek loopt nog.”
“Welk onderzoek? De feiten liggen er toch?”
Arend gebaard woest naar zichzelf. Zijn ribben trekken samen zodra hij met zijn hand heen en weer gebaard. Een vlijmscherpe steek schiet door zijn zij en snijdt door zijn borstkas. Hier is alsof iemand ijzerschaafsel in zijn longen gooit. Hij begint woest te hoesten en buigt zich voorover. Dit zorgt voor een tweede pijngolf, waardoor hij nog verder in een krimpt. De twee agenten kijken ongemakkelijk toe terwijl hij zijn hand omhoog houdt in een gebaar voor een momentje rust. Zodra hij zijn arm laat zakken, begint de agent weer met praten.
“Zo simpel is dat niet, meneer Takema. Ze zeggen dat ze u nog nooit hebben gezien en hun alibi plaatst ze ver van het park. Het is uw woord tegen dat van hen.”
Arend voelt de onmacht door zijn aders razen.
“Dus u laat ze er mee wegkomen?”
“We kunnen op dit moment weinig doen.”

Vrijdag 09:02
De licht bittere smaak van de English Breakfastthee rolt over zijn tong. Het is bijna complementair aan het zoete deeg van zijn croissantje. Arend heeft besloten zichzelf vandaag eens even goed te verwennen. Met een zachte kreun drukt hij zichzelf in het kussen van de bank en zet het volume van zijn tv harder. De nieuwslezer vertelt iets over het Suezkanaal en gaat dan over op binnenlands nieuws. Achter haar verschijnen beelden van het park waar hij afgelopen maandag zo hardhandig kennis heeft gemaakt met de grond. Kort daarop volgen de foto’s van de drie jongens. Arend krimpt even ineen als hij hun gezichten ziet. Zelfs op de foto stralen ze haat uit. Pure afgunst. Het beeld schakelt over naar de verslaggever die in het park staat. Hij hangt haast over het rood-witte politielint dat achter hem gespannen is. De wijkagent die een oogje in het zijl houdt, laat het toe. Op een hoog tempo vertelt de journalist hoe het drietal hier dinsdag voor het laatst is gespot, maar dat de politie het vermoede heeft dat er iets meer aan de hand kan zijn. Arend gaat wat rechter zitten en zet de tv harder.
“We kunnen nog niet veel vertellen, behalve dat het drietal bekenden zijn. Ze moesten zich gisteren op het kantoor melden, maar bleven weg. Toen we de familie spraken bleek geen van de jongens thuis te zijn gekomen of telefonisch bereikbaar te zijn. We doen dan ook een oproep aan eenieder die iets gezien heeft zich te melden.”
Arend fronst terwijl hij naar het scherm staart. Hij springt bijna overeind van schrik, als de deurbel gaat. Zijn hart roffelt in zijn borstkas en al zijn spieren zeuren boosaardig. De snelle beweging zorgde ervoor dat zijn rug direct weer in een kramp schoot en nu probeert hij door de pijn heen op te staan. Hij vloekt. Er wordt een tweede keer aangebeld en hij rolt met zijn ogen. De ongedurigheid van mensen is ongelovig.
“Momentje graag.”
Hij buldert zo hard hij kan en moet direct weer naar zijn rug grijpen. Wat een gevoelig lijf heeft hij toch. Verschrikkelijk. Het duur hem nog enkele minuten, voor hij eindelijk bij de deur is aangekomen. Door het melkglas heen, kan hij de donkere uniformen al zien. Ze komen hem vast een update geven.
“Meneer Takema, goedemiddag.”
“Hallo.”
“Kunt u ons vertellen waar u woensdagavond was?”
“Hoe bedoelt u?”
“Vertelt u ons nu maar gewoon wat u woensdagavond heeft gedaan.”
“Ik heb mijn boek gelezen. Waar gaat dit over?”
“Heeft u nog iemand of gesproken die avond die dit kan bevestigen?”
“Zeg heeft dit te maken met de verdwijning van die drie jongens?”
“Meneer Takema…”
“Ja luister nu eens goed jongedame. Ik ben eenenzeventig jaar oud, ik kan amper lopen omdat die snotneuzen mij hebben toegetakeld en u komt mij hier zonder enige tekst of uitleg uithoren over wat ik woensdagavond heb gedaan? Waar haalt u het gore lef vandaan?”
“Meneer Takema.”
“Nee, nee. Het is klaar nu. In plaats van de slachtoffers te helpen, beschermen jullie de criminelen. Wieberen nu. Als jullie me willen spreken, dan doe dat maar via de officiële wegen. Ben ik gearresteerd?”
“Natuurlijk niet.”
“Een goede dag dan.”
Arend slaat de deur met een harde klap dicht en schuifelt woest terug naar de woonkamer. Via zijn raam, ziet hij hoe de twee agenten afdruipen. De knul zegt iets tegen zijn meerdere, die vertwijfelt haar hoofd schudt en een blik over haar schouder werpt. Als haar blik die van Arend kruist, doet hij zijn best om nog bozer te kijken. Pas als ze goed en wel in hun auto zitten en wegrijden, durft hij te ontspannen. De lach die volgt, is diep en hol.

Zaterdag 03:48
De drank is dik en stroperig, bijna te stijf om te drinken. Arend zet het kopje aan zijn lippen en laat de ristretto naar binnen glijden. Direct wordt hij overweldigd door een wereld van bitter. Hij haalt zijn neus op en kiept het glas water er direct achteraan. Gadverdamme. Misschien kan hij toch eens beter een keer die zoete meuk van die jongeren proberen. Hoewel hij betwijfelt of zijn hart dat wel aan kan. Niet dat de zeer geconcentreerde koffie zoveel beter is. Arend snuift. Ach, het is maar voor even. Hij rolt zijn hoofd in zijn nek en kraakt zijn vingers. Voor hem schuiven de drie jongens ongemakkelijk heen en weer. Hij is dan wel eenenzeventig en kan misschien amper bewegen, zijn neefje van vijfendertig kan dat nog heel goed. En laat Arend nou net als een vader voor hem zijn. Dus toen hij Charlie vroeg of hij kon helpen, trommelde die zijn motorclubje op en de rest is geschiedenis. Niemand die de oude man ooit zal verdenken.
“Dus jullie willen geen narigheid, alleen maar naar huis?”
De tranen stroomden over hun wangen en alle drie trilden ze onophoudelijk. Arend boog zich voorover en bracht zijn gezicht dicht bij de leider van het groepje.
“Dat wordt dan betalen, ouwe.”
De grijns op zijn gezicht werd breder en zijn hart zong van plezier. Wat kreeg hij toch iets moois terug in ruil voor dat horloge. Het was de perfecte deal.

De schrijver

schrijver

De schrijver

de schrijver

De schrijver greep het glas van het bureau en nam een ferme slok. De volle smaak van de single malt rolde over zijn tong, voor het een brandend spoor in zijn slokdarm achterliet. Hij zuchtte, zette het glas met een klap terug en wreef met zijn hand over zijn gezicht. Na een laatste blik op zijn laptop, draaide hij zich om en keek op naar de prachtige man die geduldig bij de deur stond te wachten. Hij leunde tegen de post met een sigaret die nonchalant tussen zijn lippen bungelden. In zijn hand had hij een Zippo, die hij speels open en dicht klapten. De schrijver zuchtte nog eens.

“Ben je er klaar voor?”
“Maakt dat uit?”
“Geen ene zak.”
“Dan nee.”
“Ach, je wist toch dat deze dag zou komen?”

De schrijver knikte traag. Hij wist het al jaren. Toch hoopte hij ergens dat het aan hem voorbij zou gaan of dat hij tenminste wat extra tijd zou krijgen. De cursor die het einde van zijn laatste bestseller markeerde stond nota bene nog te knipperen op het scherm. Hij wist dat het een daverend succes ging worden. Mensen zouden urenlang in de rij staan om het boek te kopen, het zou alle records verbreken. Zelf de records van zijn top 1 boek. De schrijver kreeg spontaan kramp in zijn hand toen hij terugdacht aan de duizenden handtekeningen die hij had gezet. Hij was wel honderden boekenwinkels langs geweest, in binnen- en buitenland, was zelfs op comic con uitgenodigd en mocht de Nobelprijs voor de Literatuur in ontvangst nemen. Daar had hij dan ook gelijk de woede van menig schrijvend collega op de hals gehaald. Oude rotten in het vak die furieus waren dat een relatieve nieuweling er zo met alle pretentieuze awards er vandoor ging. Toch stonden de uitgevers daarna en masse aan zijn deur te smeken om hem te vertegenwoordigen. Het ene aanbod nog luxueuzer dan het andere. He was living the dream.

“Laten we gaan.”

De man bij de deur stak zijn hand uit en de schrijver zuchtte nog maar eens. Hij stond op en pakte de hand aan. Er was geen uitweg. Hij had zelf het contract met zijn bloed ondertekend. Hij had alleen voor meer dan twintig bestsellers moeten gaan. Zijn naam zal tenminste voorgoed voortleven, maar terwijl de vlammen aan zijn hielen likten betwijfelde de schrijver opeens of dat het wel waard was.

Het flatgebouw

flatgebouw

Het flatgebouw

abstract, building, architecture

Het gruis knarst onder Noa’s voeten terwijl ze door de lege straat loopt. Het glas rinkelt en het stof dwarrelt op. Toch kan ze een flauwe glimlach niet onderdrukken. Als jong meisje kwam ze hier vaak zat met haar ouders. Dan gingen ze naar de film of een ijsje halen. Hand in hand over straat, vaak luid zingend. De herinnering snijdt vlijmscherp door haar ziel en even hapt ze naar adem. Nog even en dan zal ze haar ouders weer zien. Ze klimt over het geraamte van wat ooit een auto was en laat haar voeten met een klap neerkomen op de grond erachter. Het grijze as stuift op en Noa trekt haar bril omlaag. Ze heeft geen haast, maar nu ze hier is, wil ze ook niet langer wachten. De ingang, die ooit warm en uitnodigend was, ligt als een groot gapend gat voor haar. Stalen balken, losgerukte stroomkabels en enorme brokstukken natuursteen vullen de lege ruimte. Boven haar hoofd pakken de duistere wolken samen en klinkt er gerommel. Het water zal nu snel  komen. Ze glimlacht flauwtjes en stapt de duisternis in.

Het was ooit een van de hoogste woontorens van Nederland. Ze weet nog goed hoe haar vader haar de avond nadat het flatcomplex was geopend uit bed had gehaald en haar in haar pyjama in de auto had gezet. Het was maar zo’n vijf minuten rijden, voordat ze de stad achter zich lieten en hij de auto in de berm zette. Noa had met grote ogen naar haar hem gekeken, terwijl hij haar uit de auto tilde en op het dak zette. Voorzichtig had hij haar omgedraaid, met haar gezicht naar de stad toe, en toen zag ze het. Vlakken van rood, groen, blauw en geel licht schenen haar tegemoet. Het was magisch. Twintig jaar later, twee jaar nadat haar moeder was overleden aan een hartstilstand, had haar vader er een appartement gekocht. De eerste bom ging twee dagen voor zijn verhuizing af.

China werd als eerste geraakt. De Noord-Koreaanse leider verklaarde het enorme land de oorlog nadat een aantal Koreanen in Chinese strafkampen om het leven waren gebracht. Hij voegde gelijk daad bij woord, gesteund door bondgenoot Amerika. Rusland nam wraak door heel Korea plat te bombarderen. Natuurlijk voelde Uncle Sam zich geroepen om dit varkentje te wassen. Met een atoombom. Moskou werd in een keer weggevaagd. Een heldere flits aan de donkere hemel en het was gedaan. De verschroeiende hitte vlamde door de stad, smolt het zand tot glas en verschrompelde alle levensvormen tot versteend as. De schokgolf die volgde verpulverde dit tot stof. Het duurde maar een paar seconden, maar binnen die paar seconden was de wereld compleet verandert. Ruim zes en een half miljoen mensen stierven in die paar seconden en nog zo’n drie en een half miljoen raakte er gewond. Sommigen waren blind door de lichtflits of doof door de drukgolf, anderen hadden een lichaam vol brandwonden, maar de grootste pechvogels waren zij die net niet gestorven waren. Het vel was al van hun lijf gestroopt, het onderliggende vlees gekookt in de hitte. Hun organen hadden al lang moeten opgeven, maar toch waren ze nog in leven. Net. Hun gekrijs en gekerm werd het nieuwe volkslied van Rusland. De weken na de ontploffing maakte de bom nog meer slachtoffers. Mensen die dicht bij de stad woonden kregen al snel verschijnselen van stralingsziekte. Midden op straat sloegen ze dubbel en spuugde hun hele maaginhoud op de grond, of ze moesten rennen naar de wc omdat ze het niet meer op konden houden. Bij sommigen vielen de haren uit, de anderen begonnen te bloeden uit neus, oor en mond. De symptomen verdwenen even, maar naar een paar dagen sloegen ze weer genadeloos hard toe. Dat was het moment dat de tweede bom viel.

Rusland wilde wraak nemen. Het sloot de handen ineen met China en besloot D.C. te bombarderen. Waarom ze er voor kozen om de bom vanuit de Oekraïne af te vuren, is me nog altijd een raadsel. Het antwoord zal ook nooit meer boven water komen. Het ging mis. Goed mis. De bom spatte uit elkaar boven Genève, maar de Russen gaven niet op. Een uur na de ontploffing stuurden ze hun tweede bom de lucht in. Die bereikte Lyon. Europa lag op zijn gat.

het flatgebouw

Noa’s vader nam het risico niet. Hij wilde niet wachten tot alle straling was neergedaald of de volgende bom op Nederland zou vallen. De Amerikaanse kernbommen op Europese bodem waren al helemaal een bedreiging in zijn ogen en dat was zo’n gekke gedachte nog niet. Even waande zij zich weer vijf jaar, toen zij in haar pyjama de deur opendeed en hij klaarstond met de autosleutels in zijn hand. Hij gaf haar vijf minuten om wat spullen te pakken. Kleding, voor alle seizoenen, en goede stevige wandelschoenen. Dat was alles wat ze mee mocht nemen. Ze kleedde zich goed warm aan, ook al was het niet koud, en nam de stevigste rugtas die ze kon vinden. Haar vader gooide hem achter in de auto. Hij stond te springen om te vertrekken. Toch hield hij de deur voor haar open, dat dan weer wel. Noa’s hart klopte in haar keel toen hij het stuur greep en vol gas de straat uitreed. Niemand keek er van op. De wereld was voorgoed veranderd.

Noa’s voet glijdt even weg terwijl ze zichzelf omhoog duwt. Ze is bijna op de tweeëntwintigste verdieping, net niet op de helft. Dit is waar de raket een groot gat in het gebouw had geslagen. De brokstokken liggen overal en de wind suist om haar oren. Ze zou ook hier al kunnen stoppen, maar de drang in haar om nog een keer op dat dak te staan, heeft de overhand. Dus klautert Noa verder. Nog een paar halsbrekende toeren en dan kan ze naar alle verwachting weer gewoon gebruik maken van het trappenhuis. Ze werpt een blik omhoog. Zo’n twee verdiepingen nog, voordat de treden weer bruikbaar lijken. Ze grijpt het ijzeren karkas van waar ooit de muur zat. Haar leren handschoenen beschermen haar goed tegen de scherpe randen van het metaal. Als twintigjarige had ze nooit geloofd dat dit het meest kostbare cadeau in haar hele leven zou zijn, nu denkt ze met pijn in haar hart aan de vrouw die het aan haar schonk.

Het was Luitenant-Kolonel De Wit lang gelukt enige orde te handhaven in het ondergrondse complex. Terwijl de wereld boven hun hoofd verging, werd er in de bunker hard aan de toekomst gewerkt. Wetenschappers, boeren, soldaten, iedereen had iets toe te voegen aan die toekomst. Noa keek haar ogen uit toen haar vader onder de slagboom door het enorme complex inreed. Ze wist toen nog niet dat het een aantal jaren zou duren voor ze de zon weer zou zien. Haar vader had haar heel wat uit te leggen. Hoe kon het dat hij hier zo maar werd binnengelaten? Noa vroeg het niet, maar hij wist dat de vraag op haar lippen brandde. Zijn stem klonk hees toen hij begon te praten.

“Ze hebben me gerekruteerd in 1991. Mijn kennis van bouwmaterialen sprak ze aan. In al die jaren heb ik plannen geschreven hoe je de wereld kan herbouwen als… Nou ja, als er zoiets als dit gebeurd. Wat doe je als je geen metaal meer tot je beschikking hebt, als er geen bedrijven meer zijn om hard plastic te maken, als je zelf een fundering moet bouwen uit het niets? Ik gaf antwoord op dat soort vragen. Het zou eerst maar een tijdelijke functie zijn, twee of drie scenario’s. Uiteindelijk zijn het er over vijfhonderd geworden. We hadden nooit verwacht dat er een uit zou komen.”

“Je hebt het ons nooit verteld.”

“Ik had een geheimhoudingsplicht. Voor ze met de lijst van de bunker kwamen hebben ze eerst iedereen uit het team geknikkerd die er thuis over had gesproken. Het was de enige manier waarop ik jou en je moeder veilig kon houden.”

“Mama wist het ook niet?”

“Nee, maar ze zou het begrijpen.”

Noa kon alleen maar knikken. Haar moeder zou er alles aan doen om haar gezin veilig te stellen. Alles. Veel tijd om te praten kregen ze niet meer. Een streng ogende militair sommeerde ze naar een algemene ruimte, die ondertussen al gevuld was met zo’n dertig nerveus ogende burgers. Er was een klein podium. Een vrouw van middelbare leeftijd stapte voor de microfoon. Het zenuwachtige geklets verstomde en iedereen keek met grote ogen toe.

flatgebouw, tunnel, bunker, cave

“Welkom burgers. Ik ben Luitenant-Kolonel De Wit. Het is treurig dat wij elkaar onder deze omstandigheden moeten ontmoeten. Over enkele ogenblikken sluiten wij de deuren van de bunker, de toenemende dreiging is te hoog om enig risico te nemen.”

Achter Noa klonk plotseling een hoog schavend geluid, alsof iemand de radio op ruis had gezet en het volume flink omhoog had gegooid. Ze kromp even in elkaar, voor ze een blik over haar schouder wierp. Haar vader greep haar hand stevig vast en kneep bemoedigend toe.

“Wilt u drie rijen vormen, zodat we u kunnen testen op stralingsniveau. Degene met te hoge waarden worden in een apart gedeelte van de bunker verzorgd, tot het niveau is gedaald of…” Luitenant-Kolonel De Wit maakte de zin niet af, maar knikte met haar kin in de lucht. Mensen kwamen langzaam in beweging en niet veel later waren er drie rijen van tien tot twaalf mensen. Terwijl een handjevol militairen in beweging kwam om iedereen te testen, sprak de vrouw de groep nog een keer toe.

“Na de test wordt u aan het werk gezet. We zullen hier naar verwachting enkele jaren zitten, maar dat betekent niet dat u nu alle tijd van de wereld heeft. U bent hier met een reden, u zult voor uw verblijf moeten werken. Alle middelen die wij tot onze beschikking hebben zijn kostbaar, verspil niets. Dat zal worden afgestraft.”

Noa trekt zichzelf omhoog aan de stalen balk en zwaait haar been over de rand. Eindelijk voelt ze weer stevige grond onder haar voeten. Nou ja, stevig genoeg. Ze durft zichzelf achterover te laten zakken en even op adem te komen, strekt zich uit en voelt haar spieren onder haar huid bewegen. Ze zeuren van de intense inspanning, maar zijn nog niet opgebrand. Nog een kleine tien verdiepingen, dan is ze er. God, wat had ze De Wit gevreesd. Laura. Het had twee jaar geduurd voor ze tegen de vrouw had durven spreken, nu geeft Noa haar rechterarm als dat nog een keer zou kunnen. Laura is bij haar ouders, net als de rest. Een voor een waren ze omgevallen. Sommigen binnen een paar dagen, anderen na een aantal jaar. Laura als laatste, nadat ze Noa zoveel mogelijk had geleerd hoe ze kon overleven.

“Het is tijd om naar buiten te gaan. Vindt andere mensen, Noa. Zorg dat dit niet voor niets was.”

“We hebben al jaren niemand op de radio gehoord. Alle andere bunkers, iedereen is dood.”

“Dat wil niet zeggen dat er niemand meer buiten is. Meisje, als ik dood ben dan moet je gaan zoeken, hoor je me?”


Noa kon alleen maar knikken terwijl ze de trillende hand stevig vast hield. De gezwellen bedekte het overgrote deel van Laura’s lichaam en op sommige plekken was de huid al zwart geworden. Mies had geweten wat ze konden doen, maar Mies had een jaar eerder een kogel door zijn kop gejast. Iedereen was dood, iedereen behalve Laura en zij. Noa wist niet wat ze moest doen, wat ze kon doen ze was hier helemaal niet klaar voor. Maar die gedachte liet Luitenant-Kolonel De Wit niet toe.

“In mijn kamer, in het nachtkastje, ligt een boekje. Het is een stappenplan. Voet het uit. Huil niet als ik dood ben, maar laat me los en pak het stappenplan. Begin direct. Beloof het me, Noa.”

Ze beloofde het. Hoe kon ze nee zeggen tegen een laatste wens.

Noa duwt zichzelf overeind en grijpt haar rugzak. De Luitenant-Kolonel had alles zorgvuldig gepland. Van materialen tot de afscheidsbrief. Ze rommelt door de spullen tot ze het schriftje in haar handen heeft. Het is ondertussen aardig gekreukt en aan de randen verkleurd, maar de tekst is nog goed te lezen. Ze bladert er doorheen, tot ze bij de lijst uitkomt.

  1. Tank de dirtbike af
  2. Vul een extra container en koppel deze aan de bike.
  3. Gebruik de override code om de deuren te openen: 4699107631
  4. Pak de rugzak, alles wat je nodig hebt zit hierin. Maak dat je wegkomt!
  5. Volg de kaart, bezoek de objectieven
  6. Vindt mensen.

De lijst, hij is zo simpel, zo effectief. Noa glimlacht, stopt het boekje terug in haar rugzak, staat op en slingert het gevaarte weer over haar schouders. Ruim drie jaar. Zolang heeft ze er over gedaan. Iedere plek op de kaart heeft ze bezocht, soms wel twee keer. Nooit is ze iemand tegen gekomen. Zelfs niet in de buitengebieden. Er was geen enkel teken van leven. Alleen verwilderde dieren. Noa proeft een bittere smaak in haar mond. Nog even doorzetten nu.

Er zouden nog drie verdiepingen moeten zijn, maar Noa kan niet verder. Ze kijkt uit over de stad en boven haar is alleen maar lucht. Twee stalen armen grijpen naar de wolken alsof ze om vergiffenis smeken. Gebogen als vingers die naar God wijzen. Waar was Hij toen dit allemaal gebeurde? Ze kijkt om zich heen. Ooit was dit een prachtig penthouse, met uitzicht tot aan de volgende stad. In de hoek staat een geraamte van wat ooit een bed was. Verweerd. Verteerd door zon, wind en regen. Een zwart vlak aan de muur, waar de bewoners naar het nieuws keken, of series, het is om het even.

Noa sluit haar ogen en doet alsof ze een afstandsbediening vast heeft. In haar gedachte hoort ze slippende autobanden en spannende muziek, het gestamp van een groot wezen. De laatste film die ze zag. Met een droeve glimlacht opent ze haar ogen weer en trekt haar rugzak naar voren. Het is tijd. Ze pakt de appel, die ze zo voorzichtig heeft bewaard, samen met haar laatste slok water. Het is jaren geweest sinds ze voor het laatst fruit heeft gegeten. Het is waarschijnlijk niet veilig, maar wat maakt het nog uit? Ze zet haar tanden tegen de gladde huid en met een knisperende knak breekt ze er doorheen. Zoete vloeistof vult direct haar mond. Het schuimt over haar lippen, haar tong, en even rollen haar ogen in hun kassen. Ze kan de kreun van puur genot niet tegenhouden.  

Met een verwarde blik kijkt ze naar het laatste restje water en schudt haar hoofd. Ze wil de smaak van de appel blijven proeven. Haar laatste herinnering aan een mooie, normale wereld. Een wereld waar ze met haar ouders onbezorgd door de Franse velden met stinkende gele bloemen kon razen, waarin je anderen vast kon houden om te knuffelen. Een wereld waarin de straten nog niet bezaaid lagen met lijken van de oorlog. Toen ze nog niet de enige was die alles had overleefd. Noa staat op de rand en kijkt om zich heen. De restanten van de stad die ze eens thuis noemde liggen als grijze blokken voor haar, overwoekerd met wilde planten. Gemuteerde honden en katten jagen op elkaar. De wereld die zij kende bestaat niet meer. Zij is de laatste. Het is tijd.

Ze zet haar rugtas naast haar neer Nog een keer likt ze haar lippen en glimlacht ze. Dan sluit ze haar ogen, spreidt haar armen en laat zich voorover vallen. Het laatste wat ze hoort is een geschrokken gil.

“Nee, wacht!”

Fuck.

The beast

beast

The beast

beast

DISCLAIMER: The beast is based on the Netflix series The haunting of Bly Manor. It contains spoilers.

Dani’s hands trembled as she gave the shopkeeper his money. The man just smiled at her and nodded encouraging. It made the flutters in her stomach even worse. Her breath got caught high in her chest and her throat went dry. She was ready, she wanted to do this, but still her heart was racing like crazy. Why?

She knew why. It wasn’t Jamie’s reaction she feared, if anything that was what she wanted to see most. That dawning, the way she would swallow, the intense stare she would receive without a doubt, that was something she longed for. She could already feel their bodies collide, melt together in a tight embrace, because if anything this is what they needed. After everything that happened, they deserved it. Which was why. Dani hadn’t known what she had bargained off when she invited the beast of the jungle into her life. She hadn’t known what was at stake when she saved the little girl from her ill fate. If she did… it wouldn’t have mattered. She would have still saved Flora in spite of her own future being taken from her. She just didn’t know what was worse. Knowing that she could be called by the lady of the lake to return home at any given time, or not knowing when. All things come to an end, she was very well aware of that. But to have that hanging above their heads and not knowing when the time would be there, it was torture.

Dani had struggled for so long. She was afraid to give her full self to Jamie. Not because she feared what the gardener would do, quite the opposite actually. She knew. She knew that Jamie would give all of herself to her too. And Dani just couldn’t.

When Viola took her place next to Dani’s own soul, she had nearly swallowed her whole. Her presence had longed for acknowledgement for so long, that the burning desire destroyed nearly everything on its path. But the lady of the lake found that the world she re-entered was a different one than the one she had left. The places she once knew where long gone, the people she cared for forgotten, much like her own memories. But one thing had changed, a shift ever so small. The gesture of kindness, as simple as a helping hand, slowly made her anger succumb to it. It was in the au pairs warmth that her hatred faltered for the first time. It was in the way that the gardener looked at Dani and saw her too, yet never flinched away. And Viola, who could not even remember her own name, understood. She was noticed, she was not alone. She would never be left behind ever again. Dani was her new chest, but her days no longer existed out of waking, walking, sleeping. She now gazed at the world that was offered to them both, and became quiet. She became calm.

Dani had always felt the spectator there, lurking at her. Sometimes it choked her, at other times she welcomed it. She dreaded the moment that the call would come, but every day she kept the beast astride, made her feel so much more alive. Colors became more vibrant, smells more exquisite, the air that much purer and Jamie’s kisses… wow. Just wow. At those days, her heart would sing and everything in the world was perfect. They helped her through the bad days, where Viola clasped her long fingers around her throat. When light became dark and everything felt heavy. When the water seemed just that much deeper. Days on which she could see the lady of the lake staring back at her from her own reflection. On those days Dani’s soul was pressed to the background and she would go numb. She felt a visitor in her own body and just couldn’t connect to life around her. It was Jamie who kept her grounded, who looked into her eyes for so long until she found her again. That spark, thrown as a lifeline towards her, brought her back every single time. Jolted her straight back into her body, into charge.

Photo: Netflix – Haunting of Bly Manor

It happened a lot in the beginning. The weeks after she had strut into that lake to pry little Fiona out of those dead cold hands, Dani woke up thrashing and screaming. All the lives that Viola had taken over all those years, they were all shown to her in those nights. Necks snapped, hearts paralyzed and then there was nothing but water. That dark, heavy liquid. All around her, like tar. She’d try to push through but the water just slipped right back, no matter how much she moved. Her lungs would burn in her chest, her throat hoarse from the screams that barely even reached her ears. Until they did and everything around her fell away like confetti. She would always find Jamie’s arms around her, being pulled tightly into her embrace. Her breath warm against her ear as she whispered soothing words, assuring her she was still alive. The gardener sat with her until Dani could breathe again, and then kissed away the salted tears on her cheeks. Her fingers always caressing her face ever so gentle and the look in her face ever so loving. It never became too much for her. Never a burden. Even as the years past and they decided to plan a little further then one day at a time, Jamie would jolt awake if she heard even the smallest nightly whimper. Dani’s heart glowed, she made it glow. And the harder it glowed, the less Viola showed herself. The nightly bouts had become less intense and further apart until one day Dani found herself no longer thinking about the beast in the jungle. She was completely happy, filled with love and contentment. That was the moment when she knew. She knew that she wanted to give all of her to Jamie, because Jamie had been giving all of her for so long now. Sure, the gardener pretended not to care. To be fine with taking every day as it came. But Dani knew. She knew deep inside that she had longed for more than just that.

The stroll to the little jewelry shop had been nice and pleasant. Dani was greeted by some of her schoolkids on her way and the sun let the world bask in a golden hue of light. It was a perfect day. It wasn’t until she stood in the little shop, when mr. Joltene greeted her ever so friendly, that she froze. The old gentleman, who had known her for a few years now, asked her if she needed new earrings, or a necklace perhaps but Dani couldn’t reply. A moment of weakness in which she was immediately pushed aside.
“A ring, please sir.”
Mr. Joltene’s  smile widened at the request. All he saw was the local schoolteacher, who he now knew was finally going to ask the owner of the flower shop to marry her. He did not hear a difference in her voice, or see a difference in her posture. He just saw Dani. But Dani was not there. She sad in the corner of her body, as she watched. For the first time she heard Viola speak and she just knew that the lady of the lake was so much strong then she ever anticipated. Yet, she did not use her power to call Dani home. She used it to help her built one. So Dani sat back and watched. Viola gazed at the rings that mr. Joltene put in front of her, but no matter how big the stone was or how fancy the metal, none of them were good enough. She let her eyes roam of the shiny objects in the displays when finally one of them drew her attention. A golden one, with a small band that ended into two hands holding a crowned heart.
“Claddagh,” Viola whispered.
“You are familiar with it?
The lady of the lake had just smiled and vanished, leaving Dani back in charge.
“Not really,” she stammered as mr. Joltene had took it out of the case.
“It will tell you if the person wearing it is single or taken. It’s Irish.” At that Dani smiled.
“That will do just perfectly.”

Her hands trembled as she gave the shopkeeper his money. All of this had happened in the heat of the moment. How the hell was she going to ask Jamie? She needed to buy fancy clothes, take her to dinner and sink on one knee. No, no. That would not be right. Perhaps she could take Jamie back home for a vacation and ask there. No, that would not be right. Her mind was going a hundred miles an hour as she left the shop. She roamed the streets trying to think of the perfect way, until Viola suddenly and very violently jerked her body to the left. When the shock subsided and Dani’s heart slowed down, she realized why the lady of the lake had done so. A single potted plant, with its leaves drooped down, was screaming for help.

Jamie was trying to cook some dinner, when Dani came in. The smells were anything but appealing, but she didn’t say a word. She held the plant in front of her chest and walked towards her lover who stood there muttering.
“How much years in this kitchen? My cooking is still shite.”
Dani smiled softly and waited for Jamie to turn around. She glanced over her shoulder, saw the drooping plant and finally left the stove for what it was. She turned around with a soft sigh, eying her.
“What happened there then?”
“I found it on the street. Wanted to save it.”
Jamie flashed her a big smile, that filled the room with her love. She walked towards her and in her husky voice asked Dani to give it to her. She nearly dropped it as she placed it on the kitchen island. Suddenly it all became too much, she couldn’t stand her waiting, watching. She needed to do something. Her heart was beating so fast, her body trembling with adrenaline. And Jamie was standing so close, the pot already in her hands.

“You want me to keep stirring?” It was the most ridiculous question, but she needed to act normal. Just normal. She needed to breathe. Why could she not breathe?
“Yeah, see if you can salvage it. Now, what’s going on here?”
Jamie gently touched the leaves and wrapped her hand around the plant. Carefully she lifted it up from the pot and saw that the roots were all dried out and ripped apart. She was in the middle of explain this to Dani, when she turned the plant around. The gold flicker immediately drew her attention. Jamie grabbed it and stared at the Claddagh ring for a second before she turned around.

“Dani, why is there a ring…” the au pair stood right behind her, her face serious, here stare enough to pin the gardener at the spot.
“Here’s the thing,” Dani interrupted hastily before she would lose all nerve. “You are my best friend and I love my life. And I don’t know how much time we have left.”
Jamie’s face was strung from tension, her mouth slightly open, a serious frown knitting her brows towards each other. Her breathing fastened as she gazed at Dani, who just kept looking at her. Calm.
“But however much it is, I want to spend it with you.” Dani’s face lit up even so slightly as she continued. “And I know we can’t technically get married, but I also don’t really care. We can wear the rings and we’ll know. Okay?”
Jamie nodded speechless as she felt the tears well up in her eyes.
“And that’s enough for me, if that’s enough for you?” Dani closed her speech anxiously and shook as she looked at the gardener. Jamie was overtaken with joy, love, happiness. The emotions washed over her face as she nodded once more.
“I recon that’s enough for me, yes.” She replied as a sob of relief left her mouth.

Dani’s moved closer as her heart poured over from love. As Jamie took her face in her hands and kissed her, she felt all traces of Viola disappear. Just for this one moment, the beast in the jungle was tamed.

De Piano

piano

De piano

Piano

De bladeren ritselen terwijl de wind er doorheen ruist. Sinds een paar dagen zijn ze van lichtgroen naar donkergroen verkleurd. De zonnestralen, die eerst nog tussen de blaadjes heen kon piepen, raakt de bosgrond nog maar amper. Het bladerdek ligt er als een grote parasol overheen. Het beschermt Jean niet alleen tegen de zinderende zomerhitte, maar ook tegen de dikke trage druppels die op zulke hete dagen naar beneden komen vallen. Hij ruikt het water nog voordat het er is. De zware aardachtige lucht die iedere vezel in zijn lichaam wakker maakt en verfrist. Het nodigt hem uit om zijn ogen stijg dicht te knijpen, zijn hoofd in zijn nek te leggen en de wereld om hem heen binnen te laten. Echt binnen te laten. Petrichor, hij heeft er zelfs een stuk naar vernoemd.

Jean glimlacht en opent sloom zijn ogen. De wereld vertraagt om hem heen. De kleine spitsneus die net nog in tussen de bladeren zat te wroeten, spurt nu richting het houthok. De vogels zijn uit de lucht verdwenen, neergedaald op stevige takken die nu gevaarlijk heen en weer zwiepen. De herten snuffelen de lucht af met hun zachte zwarte neuzen en lopen schichtig naar hun schuilplaatsen. Konijnen en hazen zijn diep weggedoken in hun holletje. Het bos is stil. Alleen het geritsel van de bladeren, het gehuil van de wind en nu het tikken van de dikke druppels tegen het donkergroene plafond. Jean haalt nog eens diep adem en knikt dankbaar naar de wereld om hem heen. Dan draait hij zich om en loopt met een stevige pas naar binnen.

Nog voor de stevige deur achter hem in het slot valt, hoort Jean het geraas van de regen op het dak. Van de losse dikke druppels is nu niets meer over. Hij werpt een blik uit het raam om een donkere grijze sluier te zijn die neerslaat op zijn huis. Nu is hij daadwerkelijk afgesloten van de wereld. Hij glimlacht kort en drentelt dan naar zijn woonkamer. Het is tijd om aan de slag te gaan. Als componist is hij maar wat blij met de stilte om hem heen. De luxe die het natuurmonument waar hij in woont met zich meebrengt, is dat hij geen buren heeft. Op wat vogels en eekhoorns na dan. Hij kan doen en laten wat hij wil. Als hij midden in de nacht ergens trek in krijgt, kan hij net zo makkelijk de airfryer aanzetten als zijn barbecue buiten. Het geluid van de tv staat nooit te hard en hij kan zijn muziek zo lang en vaak draaien als hij zelf wil. Het grootste voordeel, hij kan doorwerken tot midden in de nacht. Niemand die over het lawaai zeurt en niemand die onverwacht op bezoek komt. Natuurlijk komt er eens in de zoveel tijd een verdwaalde wandelaar of fietser door het afgesloten stuk bos, maar die wijst hij met veel liefde en plezier de juiste weg op. Een kleine moeite voor zijn eigen stukje paradijs op aarde. Een prijs die hij met liefde betaalt.

Zodra hij achter de piano schuift, valt het allemaal op zijn plek. De stilte om hem heen, de geur van regen nog in zijn neus, de rust in zijn lijf. Een moment dat hij wil vastleggen, net zoals Vivaldi de vier jaargetijden wist te vangen. Hij laat zijn vingers over de toetsen glijden, de lage noten voor het vibreren van de aarde, te lichte noten voor het gezang van de vogels en dan de crescendo voor de regendruppels die steeds sneller en sneller neervallen. Hij voelt de noten door zijn lijf vloeien en noteert ze op zijn kladpapier. Zijn gedachten gaan zo snel, dat zijn handen het bijna niet bij kunnen houden. Het zweet parelt op zijn voorhoofd en zijn tong hangt half over zijn lippen. Hij moet snel zijn, de muziek noteren en dan, dan mag hij haar eindelijk spelen.

Het kost hem twintig minuten om de eerste ruwe opzet van zijn nieuwe stuk te noteren. Hoewel hij het volledige orkest in zijn hoofd hoort samenkomen, heeft hij enkel de pianolijnen genoteerd. Dat is voor nu handiger. Zijn vingers jeuken om het te spelen, om te kijken hoe de noten samenkomen. Hij is zo ongeduldig dat hij de inkt niet eens van zijn vingers afveegt. Hij strijkt kort over de ivoren toetsen en laat dan eindelijk de klanken uit zijn hoofd tot leven komen. Een stuk van ongeveer drie minuten, vol met kracht en passie. Het dreunt door zijn huis, door het bos erbuiten. Als golven in de zee deint de muziek heen en weer. Het zwelt aan, neemt af en werkt dan weer naar een hoogtepunt. Genot vloeit door Jeans lijf. Dit is waar hij voor leeft. Als hij de allerlaatste noot heeft gespeelt en deze nog even nazingt door het lege vertrek, verschijnt er een glimlach om zijn mond. Een glimlach die al snel bevriest als er achter hem plotseling geklap klinkt.

Lekker dan

lekker dan

lekker dan

lekker dan

Ik had nooit verwacht dat juist ik zo om mijn einde zou komen, maar toch ligt mijn lichaam daar in het hoge gras. Mijn arm in een vreemde hoek, het gras dat zacht mijn ingeslagen schedel streelt. Het doet me verdriet, mezelf zo te moeten zien. Dood. Nou ja, mijn lichaam dan. Om een of andere reden krijg ik nog alles mee. Ik ruik de benzine die hij over me, nee mijn lichaam, giet, ik voel de warmte van de vlammen, ik hoor zijn gestoorde lach. Het erge is, ik ken heel die vent niet. Gewoon een kwestie van op de verkeerde tijd op de verkeerde plek zijn. En nu? Nu ben ik een geest of zo? Ik had een groot wit licht verwacht, trompetterende engelen, mijn oma, maar er was niets van dat alles. Gewoon meer van hetzelfde, maar dan zonder lichaam. Misschien is dat nog wel het engste van alles. Ik ben nu werkelijk helemaal alleen.

Ik had nooit verwacht dat ik zo om mijn einde zou komen, maar daar ligt mijn lichaam. Mijn arm in een vreemde hoek, het hoge gras dat zacht mijn ingeslagen schedel streelt. Ik ruik de benzine die hij over mijn lichaam giet, voel de warmte van de vlammen, hoor zijn gestoorde lach. Het erge is, ik ken die vent niet. Gewoon een kwestie van verkeerde tijd, verkeerde plek. En nu ben ik een geest. Ik had een groot wit licht verwacht, trompetterende engelen, mijn oma, maar nee hoor. Gewoon meer van hetzelfde, alleen dan zonder lichaam. Lekker dan.

Sch001

sch001

Sch001

sch001

Alex slikt en slaat voorzichtig zijn ogen op. De letters dansen over het papier en zijn hoofd bonkt. Hij durft niet uit het raam te kijken. Ze zitten midden in een proefwerk, dat wordt als spieken bestempeld. Hij richt zijn blik daarom even op de stoelpoten voor hem. Meteen klinkt het hoge gezoem van camera die zijn kant op draait. Ze hebben de beweging nu al geconstateerd. Hij ademt een keer diep in, sluit dan zijn ogen en kantelt zijn hoofd weer wat verder naar beneden. Als hij ze weer opent dansen de letters vrolijk verder.

Op dit soort momenten, baalt Alex ervan dat hij niet vijftig jaar eerder leefde. Zijn oma vertelt hem soms de prachtigste verhalen over hoe ze iedere klasgenoot bij naam kende. Sterker nog, ze zag sommigen zelfs buiten school. Er werd gepraat in de klas en gelachen. Op het schoolplein deden ze tikkertje. Dat kent hij alleen uit het eerste artikel in de grondwet:  Een ieder persoon is gehouden verantwoordelijk om afstand te bewaren van minstens anderhalve meter. Lichamelijk contact in vorm van spel, zoals tikkertje, of anders, zoals voortplanting, is ten strengste verboden. Enkel gezinnen die vrijstelling van de staat hebben verkregen, mogen dergelijke handelingen binnen het eigen huishouden van maximaal drie personen tot uitvoer brengen. Toen hij haar vroeg wat het eigenlijk was, schrok ze enorm. Ze begon te huilen en sindsdien hebben ze het er niet meer over gehad. Alex heeft nog even overwogen om via het darkweb Google te benaderen, maar hij wilde zijn leven niet riskeren voor die stomme zoekmachine. Hij liet het er maar bij.

Tot hij vorige week zijn oma sprak. Ze had een keurig envelopje klaar, zoals ze dat iedere maand had. Toen ze elkaar begroetten door de vingertoppen tegen het glas te duwen, drukte ze de envelop snel onder de gleuf door. Oma keek hem streng aan en Alex wist dat hij zijn mond moest houden. Zijn hart klopt nog steeds sneller als hij aan dat moment denkt. Zou ze hebben geweten welk risico ze er mee nam?  Zijn ze nu in gevaar? Oma maakt het vast niet zoveel uit, die heeft teveel meegemaakt om nog onder de indruk te zijn. Maar hij, hij wil nog niet dood.

Alex wordt opgeschrikt door een zoevend geluid. Een witte metalen vinger tikt twee keer op de hoek van zijn tafel. Zat hij nou echt weg te dromen tijdens zijn proefwerk? Hij knikt zacht met zijn hoofd en de bot glijdt weer weg. Ze zijn er alleen maar om de studenten bij de les te houden, correcties laten ze aan de droid over. Een naar, zwarte robot die in de hoek van de klas staat opgesteld. Vroeger stond daar de leraar.

“Mijn meester, Peter, was de beste leraar op de school. Hij was echt supertof en iedereen was dol op hem. Tot hij verdween, maar dat is een ander verhaal. Mees vertelde echt de meest geweldige dingen. Over hoe hij was gaan snorkelen in de Noordzee en ineens Atlantis had ontdekt, de verzonken stad, of hoe zijn grootvader de Duitsers op stang joeg door een verzetskrant op te zetten. Toen had je nog papieren kranten en journalisten. Meester Peter bracht het allemaal tot leven, daardoor wilde je het leren. Niet omdat het moest, zoals nu.”

Alex slikt nog eens. Een meester, goh wat zou het tof zijn om die te hebben. Oma had het allemaal voor hem opgeschreven. Tikkertje, spelen, meesters en juffen, buiten wandelen zonder mondkapje, winkels waarbij je echt naar binnen mocht. Wat zou hij graag in die tijd leven. Hij glimlacht als hij er aan denkt.

sc001

De droid springt aan. Het sissende geluid van de hydrolyse leidingen laat iedereen rillen. Alex hoeft niet op te kijken, hij weet als geen ander dat de twee scanners als rode ogen op het beeldscherm naar buiten turen. Hij houdt zijn ogen stijf op zijn papier gericht en zorgt dat zijn hand blijft schrijven. Toch trilt hij. Hij kan het niet helpen. De doffe klappen van het ijzeren monster komen steeds dichterbij. Hij wist het wel.

“A-1-509-YY-610, rapporteer.”
“Alex Mino. Aanwezig.”
“Opdracht: Volg.”
“Bevestigd.”

Alex staat langzaam op. Zijn benen begeven het bijna. Om hen heen halen zijn klasgenoten scherp adem. Hij kent ze geen van allen bij naam, nog niet eens bij nummer. Het zal ze weinig interesseren of hij in de stoel zit, of een ander. Schoorvoetend volgt hij de droid en dankt de makers in stilte dat ze het kreng niet te snel hebben gemaakt. Even verwacht hij dat hij de hoek in moet, maar de robot blijft bewegen. De deur wordt geopend en nu kijken zijn klasgenoten wel op. Alex kijkt nog een keer over zijn schouders voor hij door het gat verdwijnt. Niemand weet wat er met de mensen gebeurd die tijdens de les het lokaal worden uitgeleid, maar een ding is zeker. Er is nog nooit iemand teruggekomen.

De gang is lang, donker en leeg. Alex hart klopt in zijn keel als hij de eerste stap zet. Plotseling voelt hij koude tentakels in zijn nek, voor hij met een ruk naar achteren wordt getrokken. Hij tuimelt het lokaal weer in en de deur slaat vlak achter hem met een harde klap dicht. Zijn hoofd knalt zo hard tegen de tegels dat zijn oren er van suizen en hij even sterretjes ziet. Hij hoort gepiep om zich heen, terwijl zijn beeld langzaam terugkomt. Zijn klasgenoten staan beschermend om hem heen. De deur is gebarricadeerd met bureaus en de bots liggen na te spartelen in een hoek.

Alex ogen worden groot en hij kijkt verbaast op. Dan steekt een grote blonde jongen zijn enorme hand naar hem uit. Oma heeft hier over geschreven, vroeger schudde mensen de handen om kennis met elkaar te maken. Twijfelend pakt Alex hem vast en verwacht vrijwel direct dood neer te vallen of ziek te worden, maar er gebeurd niets. De jongen beweegt zijn hand op en neer.

“Dwayne Naval. Welkom bij de club, Alex.”

Hij trekt een ketting onder zijn T-shirt vandaan. Er hangt een usb aan, net zo een als die van oma.

“Laten we de wereld weer menselijk maken.”

Sleepwalker

sleepwalker

Sleepwalker

sleepwalker

The alarm clock makes a dry clicking sound as it flips. I stare at the digits, which show me it’s just past one. I am not really looking at it though. My mind is otherwise occupied. It has drifted off to my memories of this afternoon. It plays the scene over and over again in my head. How Chloe had laughed and touched my arm. The jolt that went through my body. I never craved anybody’s touch as much as I craved hers in that moment. Chad just looked at us and I cringe because of how he had felt the need to kiss me senseless after that. I sigh. He is way to possessive. We got together right at the end of Junior High. Just because we wanted to feel cool and grown up. Foolish really. But we are going to be seniors in a couple of months and nothing has changed since then. Chad likes to show me off on his arm, especially after his team won another game, and I let him. All the other girls seem to do just that, so why shouldn’t I? It’s about as much as he gets anyway. And that’s not because of his lack of trying. I shudder while I think of his fingers running all over my body. Why? Why do I shudder? I should enjoy that thought, I should want him to do that. Shouldn’t I? But I don’t. My body retracts with every touch. This big ball of darkness digs itself deeper in my chest, clawing its way inside me, making me want to cry out loud. But Chad’s tongue is in my mouth before I can even utter a word. And I let him. God, why do I have to be so weird?

It is the screeching sound of the back door, that pulls me out of my thoughts. I hear the screen door slam back into its place and then thud against the wooden frame another few times. I glare over at the alarm clock again. 01:11. I frown. What the hell? I push my covers aside and sit up straight, my head tilted slightly to the side to listen. The house is dead silent now. Did dad go outside to smoke? He supposedly quite a few weeks ago, but I know he sneaks one in every now and then. Can’t blame him either. Now that mum has left for California, he has to do everything on his own. Funny how things can work out like that. She’s the one who cheated. Yet she ends up with a new family and a life in the sunny state, while dad and I have to stay behind in this dreadful miserable hole in the ground called Mason. Fuck that.

My mind starts to drift of again and I almost fall asleep. Almost. Until that car starts beeping. My eyes open wide and this time I swing my legs over the side of my bed. The floor is cold under my feet and my nerves instantly wake me up. The tingling sensation makes me cringe, but I push through it regardless. With every step the feeling intensifies so by the time that I reached my window, about four paces down, it feels like sharp needles are shooting up the soles of my feet. I grunt and push away the curtains. I look out over our shabby garden and into the dark street. I see the orange lights flashing on the beat of the car alarm. The silhouette of my neighbor Don, who is standing right next to it, lights up at every flash. Why doesn’t he turn it off? He just stands there, frozen. Staring out. I frown my eyebrows again, and shake my leg at the same time. The shooting pains finally turn into a dull sensation. I glare down the window again. Where is dad? Why isn’t he helping Don?

I grab the clothes on my chair and roll my eyes. Of course my cheerleader outfit is the first thing at handy right now. I put it on regardless and then dribble downstairs. When I push through the door I hear it slam back again with the well-known wooden thud. The car finally stopped beating, but Don is still standing there. Frozen. I am about to jog down, when a dark spot in the corner of my eye draws my attention. I slightly turn my head and the blob instantly shapes into a human form. I jump and squeak. My hands move toward my mouth to cover it as I back away two or three steps. My dad stands on the porch, to the right hand side. His arms hang by his side, almost as straight as his back is. There is no emotion on his face and he doesn’t respond to my yelp. His eyes are open, staring off in the distance, but it doesn’t look like he is registering anything. His head is cocked slightly to the left as if he is listening to something. I look over my shoulder at Don, who is standing in the exact same position. It’s only then that I see Janine and Ralph from across the street standing outside as well. A chill runs from the base of my neck all the way down my spine and I shiver. I turn to dad and reach out my hand to touch him. The tips of my fingers are only a few inches away from his face when something yanks me backwards. No not something, somebody.

The pulls is so strong that I fall right after I set my first step backwards. In my momentum I knock over the person behind me. My scream drowns out the two thuds form our bodies hitting the ground. The second I feel my hands slide over the wooden floor, I pull my chin in to prevent my head from hitting it as well. Then I roll over and jump up to face my attacker. A figure in a dark hoody and sweatpants scrambles to its feet in front of me. I ball my fists and raise my hand to sucker punch who ever just jumped me, when the figures raised to small hands and yelps.

sleepwalker

“Tara no, it’s me! Chloe.”

She pushes the hoody back to show her face and I feel my hands drop together with my mouth. My throat is dry and my heart is racing. The look on her face tells me something is off. Very, very off.

“Chloe, what the hell? What are you doing here?”
“I came to see if you were awake. You have no idea how glad I am that you are.”
“What?”
She nods at my dad. “They are all like that?”
“Who?”
“Everybody, the whole town.”
“Huh?”
“They are all standing outside like that, frozen.”
I look at my dad again, at how his head is tilted. “You think they are listening to something?”
“More like waiting.”
“For what?”
“God knows.”
“We should wake them up.”

I reach for my father but right before I can touch him she yanks away my hand. Again. Frustrated I turn to her but before I can say anything, I see the panic in her eyes.

“Don’t. Please.”
“Why?”

My voice is but a whisper, shaken and hoarse. She just looks at me with a plead in her eyes and I can feel it again. Something is terribly wrong. I furrow my brow and then swallow. Chloe just squeezes her eyes shut and we stand there for a moment. Her hand is still grasping mine and I feel the heat from her touch. The pressure from her fingers, clinging onto me. I swallow again as I feel my cheeks flush. I have no idea what is happening tonight, what is happening to me. The world seems to be a different place.

Before I can form my thoughts coherently, a piercing screech fills the air. It’s not just Don’s car anymore that is beeping like crazy, all over the street other alarms go off. Dad just cocks his head back into a straight position and lifts his chin. He then jumps off the porch in a supple movement and starts running. He is joined on the street by Don, Janine, Ralp, and other people from the neighborhood. The blood inside my veins just freeze at this sight. The screech moves away from us, and so does my father. I want to run after him but Chloe intensifies her grip.

“Don’t.” She whispers. “They are gone.”

I turn around to face her. The tears on her cheek glisten in the poor lighting. She shakes her head to confirm what she just said.

“Gone?”

“Let’s go in, I’ll explain it all to you.”

A big ball of anxiety forms in my stomach as I hear the screech move in the distance. This is not the kind of adventure I imagined Chloe and me having. But it looks like we are alone at last.

Februari

februari, knowledge, spark, flash

Schrijftip van februari

Als schrijver kan je wel eens worstelen. Vooral dat witte scherm of dat leeg stuk papier kunnen de twijfel ineens laten toeslaan. Kan ik dit wel? Zit er wel iemand op mijn verhaal te wachten? Wat wil ik überhaupt vertellen?  Voor je het weet zit je alleen maar te staren, te twijfelen en komt er niets uit je vingers. Je bent inspiratieloos en hebt geen idee waar te beginnen. Waar haal je op dat soort momenten toch ideeën vandaan? Kijk daarvoor eens naar deze schrijftip van februari.

Kranten

Begin eens bij kranten. Blader ze door, kijk welke actuele thema’s er spreken, maar ook wat de kleine verhalen zijn. Welke koppen spreken tot je verbeelding en waarom? Ik vind koppensnellen een heerlijke manier om aan schrijfprompts te komen. Sterker nog, ik heb een hele doos met uitgeknipte koppen, zonder dat ik de bijbehorende artikelen heb gelezen. En daar komen hele leuke verhalen uit. Zoals die van de nachttrein bijvoorbeeld. De krantenkop had het over de Eurostar Ghost Train. Kijk eens wat er bij jouw verhalen past. Je hoeft ze niet meteen te gebruiken, bewaren voor later kan altijd.

Luistervinken

Zijn kranten niet jouw ding? Pak het dan eens anders aan en ga op spionage. Laat ik zeggen dat deze in tijden van corona wel wat uitdagender is. Ga gewoon lekker ergens zitten waar mensen voorbij komen, een park, in normale tijden een terrasje of het OV. Ga gewoon lekker zitten en luister. Hou een boekje bij de hand om uitspraken te noteren. Je zult zien dat je flarden van gesprekken opvangt, die zonder context erg boeiend kunnen zijn. Voorbeeldje:

“Dat doe je toch niet? Nou is hij hartstikke dood.”

Gaat het over een huisplant, een goudvis, een overspelige man? Zeg het me maar. Het prikkelt mijn geest voldoende om er mee aan de slag te gaan. Deze techniek vergt aardig wat tijd, maar is ook erg vermakelijk. Een mooie manier om een zonnige dag mee op te vullen!

De eerste zin

Nou nog eentje dan, want al het goede komt in drie. Hebben de kranten en de gesprekken (nog) niets opgeleverd. Dan heb je nog altijd de optie van de eerste zin. Pak een inspirerend boek uit de kast, sla hem op een willekeurige bladzijde open en zet, met gesloten ogen, je vinger op een regel. Gefeliciteerd, dit is je eerste zin. Voorbeeldje:

“Het is belangrijk om deze middelen te delen als we er toegang toe hebben.”

Welke middelen, hoezo toegang? Hoewel deze zin uit een non-fictieboek over feminisme komt, gaat deze zin los totaal met mij aan de haal. Ik zie een laboratorium voor me, een zombieplaag of andere gemeenschappelijke vijand. Mocht je hier nou binnenkort een verhaaltje over lezen, dan weet je hoe ik op het idee ben gekomen.

februari , energy, inspiration ideas, planet

Klas 1HB

Klas 1hb, woman, coffee, phone

Klas 1HB

klas 1hb, girls, cell phones, sitting

“De uitnodigingen zijn vast verloren gegaan in de post, schat.” Haar moeder streelt Lisannes haren. Ze weten allebei dondersgoed dat het niet waar is. Ze hebben haar laten zitten, het kneusje van de klas. Net zoals dat de val met haar fiets geen ongeluk was, ze gooide die sneeuwbal expres in haar gezicht. Alsof dat niet genoeg was wilde niemand iets op het gips zetten. Zes weken lang liep ze met dat spierwitte onding om haar arm en iedere keer weer lachten haar klasgenootjes geniepig als ze haar voorbij liepen.

Lisanne weet niet waar het misging. Op de basisschool was er niets aan de hand. Ze had een leuke klas, kon goed mee. Speelde tikkertje in de pauze, later werd dat Pokémon Go en nog later Tiktok. Stonden met vijven een dansje te doen, of deed de hele klas mee met de wave. Er werd heus wel gepest, maar gewoon zo af en toe eens. Niet stelselmatig en al helemaal niet continue een kind. Ze rilt. Het middelbare is heel anders. Iedereen kijkt naar haar. Ze lachen haar uit. Ze doen haar pijn. De eerste paar weken viel het nog een beetje mee, toen kende niemand elkaar. Lisanne deed gewoon rustig, keek in de pauze op haar mobiel en deed braaf haar huiswerk. Er was niets aan de hand, tot die drie trutten elkaar vonden. De leren jasjes gang. Zo werden ze genoemd. Dat wisten ze zelf niet eens, maar dat maakte weinig verschil. Een van die grieten had een hekel aan haar. Dan liepen ze langs en trok ze keihard aan Lisannes haren, of duwde haar terug het wc-hokje in als ze er net uit wilde komen. De haat die van haar afstroomde was gruwelijk.

Het was de leren jasjes gang, die de rest van de brugklas tegen haar opzette. Terwijl andere meiden elkaar vonden en Tiktok-filmpjes maakten, werd Lisanne steeds meer buitengesloten. Niet uitgescholden, niet geslagen, maar negeert. Ze wilde dat doorbreken en liet haar haren kort knippen, opscheren aan een kant en schuin aflopen aan de andere kant. Ze had haar moeder zelfs kunnen overtuigen om blauwe strengen in te laten zetten. Zo trots als een pauw kwam ze het schoolplein oplopen. Haar kin de lucht in, haar glimlach van oor tot oor. Zij zag haar als eerst. Lisanne zag haar ogen groot worden en toen boog ze een beetje voorover. Haar vinger vloog de lucht in en wees naar haar. Ze begon keihard te lachen. Het duurde niet lang. Alle kinderen keken waar zij naar wees en begonnen mee te lachen. Of ze nou wilden of niet, ze deden het gewoon. Schapen. Lisanne was huilend het plein afgevlucht, terug naar huis. Dat was het begin. Toen kwam de sneeuwbal en werd het fysiek. En nu? Nu zit ze alleen, met haar moeder, op haar verjaardag. Een verjaardag die ze toch al niet wilde vieren.

klas 1hb, candy bar, girl, in relation to

Ze ligt net even op bed te rusten, als haar moeder de telefoon brengt. Lisanne kijkt verbaast. De vrouw haalt haar schouders op en loopt de kamer af.

“Hallo?”
“Hey.” Lisannes adem stokt. Dat is ze… de leren jasjes trut.
“Wat moet je.” Het blijft even stil en dan een trillende ademhaling.
“Ik wilde sorry zeggen.”
“Oh.”
“Luister, ik weet dat ik een trut was.”
“Waarom eigenlijk?”
“Ja, dat weet ik ook niet.”
“Oh.”
“Dus sorry.”
“Hm-m.” Lisanne rolt met haar ogen, ze gelooft er niets van.
“Ben je nog boos?”
“Ja.”
“Sorry.”
“Dat heb je al gezegd.”
“Ja, ik weet het ook niet. Het ging zo makkelijk en ik wilde er gewoon ook graag bijhouden en Charlotte, je weet hoe ze is. Die zei dat ik dat moest doen.”
“Dus dat deed je gewoon?”
“Ja, ik denk het wel.”
“Nou, dan ben je best een sukkel.” Het is weer even stil aan de andere kant, tot er gegniffel klinkt.
“Ja, dat denk ik ook.” Nu grinnikt Lisanne ook.
“Tot maandag.”
“Tot maandag.”

De grijns op haar gezicht is weer van oor tot oor. Het zal allemaal beter worden nu.

Zelf wilde ze cupcakes maken, maar haar moeder stond op zandkoekjes. Minder intensief, vele malen zoeter. Een klein trommeltje vol maar, net genoeg voor haar klas. Ze hadden er de hele zondag voor in de keuken gestaan. Zandkoekjes met lavendel, honing en vanille. Met een klein druppeltje van mama’s geheime ingrediënt om het extra lekker te maken. Zoals verwacht, kwam Tess direct naar haar toe, toen ze het schoolplein opreed. Ze had besloten niet meer met Charlotte om te gaan en wilde nog een keer sorry zeggen. Lisanne voelde een gewicht van haar schouders vallen. Ze had het gesprek gemeend. Ze bood haar het eerste koekje aan. De rest van de klas volgde al snel.

Mevrouw Duchamp kijkt haar strak aan. Ze had haar iets gevraagd, maar Lisanne was weggedroomd.

“Sorry?”
“How was your weekend?”
“Okay. You?”
“Can you expand please.”
“Niet echt.”
“English please. Now tell us about your weekend.”
Voor Lisanne antwoord kan geven steekt Tess haar arm in de lucht. Haar gezicht is lijkbleek, maar rondom haar ogen heeft ze donkerrode kringen. Mevrouw Duchamp rolt met haar ogen en knikt even in Tess’ richting.

“Ik voel me niet zo lekker mevrouw.”

Meteen schieten er andere armen de lucht in en om Lisanne heen klinken stemmen van de andere kinderen. Ik ook niet, ik ook niet. Ze glimlacht flauwtjes. Met haar is niets aan de hand. Tja, zij wordt dan ook altijd buitengesloten. Dus als een klasgenootje zoals Tess koekjes uitdeelt om de show te stelen, dan wordt zij natuurlijk overgeslagen. Mama had het al helemaal uitgedacht en Lisanne weet precies wat ze straks tegen de leraren en de politie moet vertellen. Naast haar hapt een klasgenootje naar adem. Nog even en dan hebben al hun organen het opgegeven. Aan het einde van Engelse les, zal klas 1HB niet langer zijn.