Het drietal

drietal

Maandag 21:15

“Wat kijk je nou, ouwe? Zoek je ruzie of wa?”
“Kijk ‘m tantoebang zijn!”
“Klap erop dan!”
De drie jongens stoten elkaar lachend aan. Arend schat dat ze een jaar of vijftien zijn, maar dat maakt de knoop in zijn buik niet minder aanwezig. De blik in hun ogen is doordrongen van haat en afkeer tegen alles en iedereen. Hij is op de verkeerde plek op het verkeerde moment. Als hij een blik over zijn schouder werpt, springt een van de jongens over het bankje en gaat achter hem staan.
“Waar ga je heen dan?”
De andere twee jongens sluiten de weg voor hem af en al zijn nekharen gaan overeind staan. Arend slikt en heft zijn twee handen langzaam op om te laten zien dat hij geen kwaad in de zin heeft. Dit tot hilariteit van zijn belagers.
“Kijk dan. Hij schijt ‘em.”
“Luister jongens, ik wil geen narigheid. Ik ben alleen maar onderweg naar huis.”
De grootste van het drietal stapt dreigend op hem af. Zijn donkere ogen vernauwen zich tot spleetjes en hij trekt zijn kin lichtjes in. Om zijn lippen ligt een spottende grijns.
“Gaat je doekoe kosten.”
“Wat?”
“Dat wordt betalen, ouwe.”
De andere twee jongens lachen weer, terwijl ze steeds dichter om hem heen gaan staan. Ongewild krimpt Arend lichtjes in elkaar. De minimale verandering in zijn lichaamshouding heeft een enorm effect op de jongens, die hun borstkassen nu nog verder oppompen. Ze kijken elkaar voortdurend aan. Hun lippen trekken zich op en Arend denkt ongewenst aan een groep hyena’s.
“Ik heb geen geld bij me.”
“Dan betaal je maar op een andere manier.”
“Mooi horloge, ouwe.”
“Jongens kom op. Dat was nog van mijn vader.”
De grootste van de drie komt nu bijna tegen hem aan staan. Hij steekt zeker een kop boven Arend uit, maar buigt zich voorover zodat hun ogen op gelijke hoogte zijn. Arend ruikt de hasj in zijn kleding en de energydrank in zijn adem. Het is godverdomme een puber. Hij wordt hier geïntimideerd door een of ander stuk schorem.
“Nou is het van mij.”
De hand van de jongen schiet uit en klauwt zich om Arends pols. Zijn instinct neemt het over. Hij trekt zijn hand terug en stapt achteruit. Daar botst hij tegen een van de andere knullen, die hem een harde duw vooruit geeft. Voor hij kan registreren wat er gebeurt voelt hij hoe zijn linkeroogkas wordt opgevuld door een ijskoud vierkant blok. De wereld voor hem wordt zwart, doorspekt met spikkels licht die heen en weer dansen. Hij probeert met zijn ogen te knipperen, maar datzelfde harde blok raakt hem in zijn maagstreek. Arend klapt dubbel terwijl zijn eten zich een weg naar boven probeert te werken en de lucht om hem heen juist een weg naar beneden. Even stopt de wereld, maar dan krijgt hij ineens een flinke ademteug binnen. Een trap tegen de achterkant van zijn knieholte zorgt ervoor dat hij op het grindpad terecht komt. Voor Arend op kan staan, ziet hij de neus van een sneaker op zich afkomen. Hij werpt zijn armen voor zijn gezicht en maakt zichzelf zo klein mogelijk. De harde knal tegen de achterkant van zijn hoofd, is het laatste dat hij voelt.

Dinsdag 16:40
“We hebben het horloge momenteel in ons bezit en het zal uiteraard zo snel mogelijk aan u geretourneerd worden. Alleen…”
Arend kijkt de jonge agent aan. Hij zal nog geen vijfentwintig zijn. Zijn haar is aan de zijkanten opgeschoren en zijn ademsappel beweegt onrustig heen en weer. De jongen, want dat is het nou eenmaal in zijn ogen, houdt zelfs met trillende vingers zijn koffiekopje vast. Nerveus. Vast zijn eerste gesprek alleen. Zijn partner, die ook aan de keukentafel zit, heeft het hele gesprek nog geen woord gezegd. Ze heeft alleen maar naar haar collega gekeken en af een toe een blik op Arend geworpen. Een beleefd glimlachje hier en daar, maar geen enkele persoonlijke connectie. Die knul probeert het tenminste nog.
“Alleen?”
“Nou, ik vrees dat er niet veel van over is, meneer Takema.”
“Wat bedoel je?”
“Het lijkt erop dat ze… nou ja… dat ze op het uurwerk zijn gaan staan.”
“Gaan staan? Expres bedoel je?”
Dit is waar de vrouw eindelijk reageert. Ze legt haar hand op de arm van haar collega en schudt kort maar kordaat met haar hoofd. Hij zakt terug in de stoel met een verslagen blik en laat haar het gesprek overnemen.
“Daar kunnen we nu nog niets overzeggen, meneer. Het onderzoek loopt nog.”
“Welk onderzoek? De feiten liggen er toch?”
Arend gebaard woest naar zichzelf. Zijn ribben trekken samen zodra hij met zijn hand heen en weer gebaard. Een vlijmscherpe steek schiet door zijn zij en snijdt door zijn borstkas. Hier is alsof iemand ijzerschaafsel in zijn longen gooit. Hij begint woest te hoesten en buigt zich voorover. Dit zorgt voor een tweede pijngolf, waardoor hij nog verder in een krimpt. De twee agenten kijken ongemakkelijk toe terwijl hij zijn hand omhoog houdt in een gebaar voor een momentje rust. Zodra hij zijn arm laat zakken, begint de agent weer met praten.
“Zo simpel is dat niet, meneer Takema. Ze zeggen dat ze u nog nooit hebben gezien en hun alibi plaatst ze ver van het park. Het is uw woord tegen dat van hen.”
Arend voelt de onmacht door zijn aders razen.
“Dus u laat ze er mee wegkomen?”
“We kunnen op dit moment weinig doen.”

Vrijdag 09:02
De licht bittere smaak van de English Breakfastthee rolt over zijn tong. Het is bijna complementair aan het zoete deeg van zijn croissantje. Arend heeft besloten zichzelf vandaag eens even goed te verwennen. Met een zachte kreun drukt hij zichzelf in het kussen van de bank en zet het volume van zijn tv harder. De nieuwslezer vertelt iets over het Suezkanaal en gaat dan over op binnenlands nieuws. Achter haar verschijnen beelden van het park waar hij afgelopen maandag zo hardhandig kennis heeft gemaakt met de grond. Kort daarop volgen de foto’s van de drie jongens. Arend krimpt even ineen als hij hun gezichten ziet. Zelfs op de foto stralen ze haat uit. Pure afgunst. Het beeld schakelt over naar de verslaggever die in het park staat. Hij hangt haast over het rood-witte politielint dat achter hem gespannen is. De wijkagent die een oogje in het zijl houdt, laat het toe. Op een hoog tempo vertelt de journalist hoe het drietal hier dinsdag voor het laatst is gespot, maar dat de politie het vermoede heeft dat er iets meer aan de hand kan zijn. Arend gaat wat rechter zitten en zet de tv harder.
“We kunnen nog niet veel vertellen, behalve dat het drietal bekenden zijn. Ze moesten zich gisteren op het kantoor melden, maar bleven weg. Toen we de familie spraken bleek geen van de jongens thuis te zijn gekomen of telefonisch bereikbaar te zijn. We doen dan ook een oproep aan eenieder die iets gezien heeft zich te melden.”
Arend fronst terwijl hij naar het scherm staart. Hij springt bijna overeind van schrik, als de deurbel gaat. Zijn hart roffelt in zijn borstkas en al zijn spieren zeuren boosaardig. De snelle beweging zorgde ervoor dat zijn rug direct weer in een kramp schoot en nu probeert hij door de pijn heen op te staan. Hij vloekt. Er wordt een tweede keer aangebeld en hij rolt met zijn ogen. De ongedurigheid van mensen is ongelovig.
“Momentje graag.”
Hij buldert zo hard hij kan en moet direct weer naar zijn rug grijpen. Wat een gevoelig lijf heeft hij toch. Verschrikkelijk. Het duur hem nog enkele minuten, voor hij eindelijk bij de deur is aangekomen. Door het melkglas heen, kan hij de donkere uniformen al zien. Ze komen hem vast een update geven.
“Meneer Takema, goedemiddag.”
“Hallo.”
“Kunt u ons vertellen waar u woensdagavond was?”
“Hoe bedoelt u?”
“Vertelt u ons nu maar gewoon wat u woensdagavond heeft gedaan.”
“Ik heb mijn boek gelezen. Waar gaat dit over?”
“Heeft u nog iemand of gesproken die avond die dit kan bevestigen?”
“Zeg heeft dit te maken met de verdwijning van die drie jongens?”
“Meneer Takema…”
“Ja luister nu eens goed jongedame. Ik ben eenenzeventig jaar oud, ik kan amper lopen omdat die snotneuzen mij hebben toegetakeld en u komt mij hier zonder enige tekst of uitleg uithoren over wat ik woensdagavond heb gedaan? Waar haalt u het gore lef vandaan?”
“Meneer Takema.”
“Nee, nee. Het is klaar nu. In plaats van de slachtoffers te helpen, beschermen jullie de criminelen. Wieberen nu. Als jullie me willen spreken, dan doe dat maar via de officiële wegen. Ben ik gearresteerd?”
“Natuurlijk niet.”
“Een goede dag dan.”
Arend slaat de deur met een harde klap dicht en schuifelt woest terug naar de woonkamer. Via zijn raam, ziet hij hoe de twee agenten afdruipen. De knul zegt iets tegen zijn meerdere, die vertwijfelt haar hoofd schudt en een blik over haar schouder werpt. Als haar blik die van Arend kruist, doet hij zijn best om nog bozer te kijken. Pas als ze goed en wel in hun auto zitten en wegrijden, durft hij te ontspannen. De lach die volgt, is diep en hol.

Zaterdag 03:48
De drank is dik en stroperig, bijna te stijf om te drinken. Arend zet het kopje aan zijn lippen en laat de ristretto naar binnen glijden. Direct wordt hij overweldigd door een wereld van bitter. Hij haalt zijn neus op en kiept het glas water er direct achteraan. Gadverdamme. Misschien kan hij toch eens beter een keer die zoete meuk van die jongeren proberen. Hoewel hij betwijfelt of zijn hart dat wel aan kan. Niet dat de zeer geconcentreerde koffie zoveel beter is. Arend snuift. Ach, het is maar voor even. Hij rolt zijn hoofd in zijn nek en kraakt zijn vingers. Voor hem schuiven de drie jongens ongemakkelijk heen en weer. Hij is dan wel eenenzeventig en kan misschien amper bewegen, zijn neefje van vijfendertig kan dat nog heel goed. En laat Arend nou net als een vader voor hem zijn. Dus toen hij Charlie vroeg of hij kon helpen, trommelde die zijn motorclubje op en de rest is geschiedenis. Niemand die de oude man ooit zal verdenken.
“Dus jullie willen geen narigheid, alleen maar naar huis?”
De tranen stroomden over hun wangen en alle drie trilden ze onophoudelijk. Arend boog zich voorover en bracht zijn gezicht dicht bij de leider van het groepje.
“Dat wordt dan betalen, ouwe.”
De grijns op zijn gezicht werd breder en zijn hart zong van plezier. Wat kreeg hij toch iets moois terug in ruil voor dat horloge. Het was de perfecte deal.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *