Het niets – deel 2

niets, forest, dark, woods

In 2020 nam ik deel aan de Harland Awards met mijn verhaal Het niets. Er waren 178 deelnemers, maar ik had het geluk om op de 35e plaats binnen te komen. Ik deel hieronder met trots het deel 2 van mijn inzending.

02.

Terwijl Johan de huilende Daniel helemaal naar huis tilt, loopt er een drietal onwetend naar de zwarte massa toe.

“Ik zweer het, als we ballontjes gaan doen kunnen we maar beter in het bos zijn, ouwe. Die klotewout volgt ons overal behalve daar.”
“Die shit is toch niet verboden?”
“Zullen we in jouw moeders woonkamer gaan zitten dan?”
“Doe normaal joh, eikel.”
“Hij heeft wel gelijk, op straat is het samenscholing.”

Mehmet staart naar Lemmy. Die gozer weet heus wel dat zijn moeder hem afmaakt als ze hier ooit lucht van krijgt. Hij weet alleen niet of dat hij sarcastisch is en hem probeert te dissen met zijn moeder, of dat hij gewoon echt zo dom is. Lemmy kijkt hem uitdagend terug aan. Het eerste dus. In zijn broekzak laat Mehmet zijn vingers over het harde staal van de boksbeugel glijden. Hij zal die flikker eens een lesje leren. Zijn hand is al halverwege zijn broekzak als die kleine vetzak komt aanrennen.

“Lemmy, M, Denzel, hebben jullie het al gezien? Die shit is echt dope,” roept hij toe terwijl zijn voeten hem zo snel mogelijk dragen. Zijn dikke buik danst op en neer bij eerdere stap die hij zet. Denzel trekt zijn lip ervoor op.

“Bah, bah.”
“Wat lul je nou, Dikkie?”

Lemmy kijkt de jongen geïrriteerd aan. Hij loopt hen al weken achterna en dekt op een of andere manier bij hun te horen. Het is heus wel handig als ze iets nodig hebben, sigaretten, alcohol, eten. Ze sturen Dikkie op pad en binnen een paar minuten hebben ze wat ze willen. Daar is alles ook wel mee gezegd. Lemmy raakt gefrustreerd van zijn constante aanwezigheid. Die vetzak moet eens even goed op zijn plek gezet worden.

“Het bos, man. Het is weg.”
“Wat bedoel je, weg?” Denzel trekt een wenkbrauw omhoog en kijkt semi geïnteresseerd toe. Wie geeft er nou een ruk om dat bos?
“Ik bedoel weg, dude. Als in, het is er niet meer.”
“Hebben ze het bos eindelijk omgezaagd ja? Werd tijd.”
“Nee, gozer. Het is weg. Niet omgezaagd, weg. Er is een groot gapend gat. Ik kan het niet uitleggen, je moet het zien. Het is zo tof.”

Mehmet komt tussenbeide. “Andere keer, Dikkie. Later!”

Het drietal draait de jongen de rug toe en loopt de andere kant uit. Achter zich klinkt er een kreet van frustratie. Lemmy grijnst nog, tot de Louise Vuitton-cap van zijn hoofd wordt getrokken. Verbaast draait hij zich op zijn hielen om. Die vuile vetzak! Dikkie rent al enkele meters voor hen uit met de cap in zijn handen. Lemmy gromt woest en zet de achtervolging in. Mehmet en Denzel kijken elkaar even aan, grijnzen en brengen hun voeten dan ook in beweging. Zij hebben wel zin in een vechtpartijtje. Een slachtpartijtje. Het viertal vliegt over de ongelijke stoep. Lemmy schreeuwt de meest obscene teksten in de hoop zijn pet terug te krijgen. Het was een cadeautje van zijn pa. Als die erachter komt dat het ding pleite is, dan krijgt hij me een partij klappen waar je u tegen zegt. Daar heeft hij echt geen zin in. Hij gromt en zet zijn passen wat kracht bij. Die vetklep is veel sneller dan hij had verwacht.

Dikkie hijgt terwijl hij zichzelf dwingt zo hard mogelijk te rennen. Als ze hem te pakken krijgen voor hij bij het bospad is, dan is het met hem gedaan. Ze moeten zien wat zag, om het te begrijpen. Om hem te begrijpen. Nog een paar honderd meter. Dikkie voelt hoe het zweet van zijn voorhoofd afgutst en hoe zijn hart in zijn keel klopt. Zijn longen branden, schreeuwen tegen hem dat hij moet stoppen. Hij werpt een blik over zijn schouder, ze zijn bijna bij hem. Met een vastberadenheid die hem onbekend is, richt hij zijn blik op het bospad. Hij klemt zijn kiezen op elkaar en verbaast zichzelf door te versnellen. Nog twintig, vijftien, tien meter. Hij is er! Hij heeft het gehaald. Dikkie schiet het pad in, rent nog een paar meter en staat dan ineens stokstijf stil. De afwezigheid van enige substantie beneemt hem wederom de adem, ook al heeft hij het zojuist nog gezien. Achter hem hoort hij de slippende sneakers. Met een trotse grijns draait hij zich om en geeft de pet terug aan Lemmy. Deze grist hem uit zijn handen, maar de agressie is verdwenen. Zijn blik glijdt onzeker over de zwarte massa voor hen.

“Ik zei het toch.”

Mehmet geeft Dikke een klap met de vlakke hand tegen zijn achterhoofd. Die gozer moet zich eens leren te gedragen. Toch haalt ook hij zijn ogen niet van de massa. Hij heeft zoiets nog nooit gezien.

“Yawm al-Qīyamāh,” fluistert hij terwijl hij de lucht afspeurt om te kijken waar de zon opkomt. Hij heeft veel verkeerde keuzes gemaakt in zijn leven, hij wil Allah nog niet onder ogen komen. Hij is er niet klaar voor.

“Wat brabbel je nou?” Lemmy kijkt hem woedend aan. Hij is te rechts om Arabisch te kunnen waarderen. Mehmet schudt de gedachte van zich af en dwingt zichzelf te grijnzen.

“Wat zou erin zitten?”
“Niets, dat zie je toch?”
“Laten we gaan kijken.”
“Kerel, dat is echt geen goed idee.”
“Menneke, hou je bek.”

Lemmy grijpt Dikkie in zijn nekvel en sleurt hem mee naar de donkere massa. Ze staan er op een stap vandaan. Denzel gooit een steen, hij verdwijnt in het zwart. De wolk gonst net iets harder dan daarvoor, even kort. Als elektrische wrijving. Alsof het gevoed wordt. De trilling is voelbaar door hun hele lichaam. Een onprettig pulseren, alsof ze te veel energydrink op hebben.

charcoal, coal, ash

“Wow.”
“Steek je hand er eens in, D.”
“Doe het zelf, ik ben niet gek.”

Lemmy grijnst naar zijn maat en steekt zijn hand uit. De drie andere jongens houden gespannen hun adem in.

Albin en Aleksander staan weifelend aan het begin van het bospad. Ze staren naar de zwarte massa die zacht golft. Hoe hoog ze ook kijken er is helemaal niets. Het zwart is zo zwart dat het bijna zeer doet aan hun ogen. Het viertal jongens steekt er schreeuwend tegen af. Ze zijn wel wat gewend, zeker met hun familie, en voelen nattigheid voor het aankomt. Aleksander knikt schuin naar de jongens, terwijl hij zijn broer aankijkt. Deze knikt eenmaal bevestigend. Met een stevige pas lopen ze naar hen toe. Ze zijn zo’n vier stappen van de kinderen vandaan, als de spichtige met het opgeschoren haar zijn hand naar de massa uitsteekt. Albin slikt. Dit gaat de verkeerde kant uit. Ineens draait de jongen zich opzij en geeft de dikke knul een enorme duw. Zijn gil is hoog en iel, meisjesachtig, maar zodra zijn hoofd in het zwarte niets verdwijnt is het akelig stil. Op het tevreden gonzen van de pulserende massa na. Het gezoem zwelt aan, laag en snel. De wolk rimpelt en kruipt vooruit.

“Lemmy, what the fuck joh?”
“Waar is hij?”
“Weet ik het? Ga eens kijken.”
“Flikker op, hufter!”

“Hey,” Aleksander onderbreekt het drietal met een harde stem die geen tegenspraak duldt. Ze draaien zich geschrokken om en staren de broers aan. Het zijn flinke, gespierde mannen. Echte mesmorphen. Hun kale koppen, legerbroeken en tanktops maken het geheel alleen maar indrukwekkender. De jongens blijven stil.

“Wat is dit?” Albin knikt naar de zwarte wolk in de hoop wat antwoorden te krijgen, maar de jongens halen alleen hun schouder op.

“Jullie weten niet wat dit is, maar je duwt er wel iemand in?”
“Het was een geintje,” Lemmy’s stem is zacht en hij kijkt naar de grond.
“Een geintje? Je weet niet wat dit spul doet. Voor hetzelfde geval is hij dood.” Lemmy kijkt met grote ogen naar Aleksander, niet wetende wat hij zeggen moet.

“Aleks, laten we iemand bellen.”
“Dan zijn ze te laat, dat weet je.”
“Je laat het, denk aan onze matka.”
“Ik kan die knul toch niet aan zijn lot overlaten.”

Albin slikt hard. Hij kent zijn broer, die toch wel doet wat hij zelf wil. Misschien moet hij hem knock-out slaan en mee terug zeulen naar het huis. Shit, dat kan hij toch niet.

“Je weet niet wat het spul doet.”

“Dat is het punt.” Aleksander knikt hem vastberaden aan en draait zich om. Hij rolt zijn schouders achteruit en hupst even van de ene voet op de andere. Hij slikt een paar keer en haalt dan diep adem. Voorzichtig steekt hij zijn rechterhand in de massa. De enorme kilte is onbeschrijfelijk. Het niets voelt precies zoals het eruitziet. Donker, diep en tegelijkertijd niet aanwezig. Het is alsof er duizenden hete naalden in zijn hand gezet worden. De brede man brult het uit. Hij probeert een vuist te maken, maar zijn lijf reageert niet. Eruit! Hij moet er nu uit. Verward zet hij twee stappen terug, draait dan een kwartslag om zijn as en stort neer op het bospad. Zijn hart roffelt tegen zijn borst, zijn mond is droog en de pijn in zijn hand is onbeschrijfelijk. Hij tilt hem op om hem tegen zijn borst te leggen, maar waar eerst zijn vingers zaten, zijn handpalmen, zijn polsen, zit nu helemaal niets. Halverwege zijn onderarm houdt het op. Er is alleen en perfect afgevlakt stompje. Geen bloed, geen botten, niets. Er klinkt geschreeuw. Aleksander richt zijn ogen op zijn broer en het duurt even voor hij zich realiseert dat hij zichzelf hoort. Dan verdwijnt de wereld onder hem.

03.

De pantserwagens vliegen over het asfalt. Het is maar vijf minuten rijden, maar ze halen het in drie.  Wagen een rijdt twintig meter verder over de berm naar de andere rijstrook en de chauffeur parkeert hem dan zijwaarts. De bestuurder van de tweede wagen zwiept zijn stuur om en zet hem ook zijn wagen over de rijstroken neer. Ongeveer tegelijkertijd kruipen er uit beide wagens een mannetje die achter de geweren op de bakken gaan staan. Het zal nog even duren voor de versterking er is, maar voor nu komt niemand het dorp in of uit. Zij hebben zojuist de laatste toegangsweg geblokkeerd.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *