Het niets – deel 3

lake, water, waters

In 2020 nam ik deel aan de Harland Awards met mijn verhaal Het niets. Er waren 178 deelnemers, maar ik had het geluk om op de 35e plaats binnen te komen. Ik deel hieronder met trots het deel 3 van mijn inzending.

04.

Johan zet Daniel neer en graait in zijn te strakke sportbroek naar de huissleutel. Zijn zoon is ondertussen gestopt met huilen, maar staat nog steeds met grote ogen en twee vingers in zijn mond voor zich uit te staren. Als hij de mogelijkheid had, zou hij ongetwijfeld hetzelfde doen. Johan heeft geen idee wat die massa was, maar het voelde niet goed. Al zijn kinderangsten kwamen weer bovendrijven toen hij naar dat spul keek. De monsters onder het bed, donkere kasten, buiten voor het raam. Hij rilt. Met zijn vermoeide armen, hij heeft Daniel de hele weg naar huis gedragen, duwt hij de voordeur open. Zijn zoon schiet langs hem heen naar binnen. Hier zijn ze veilig.

‘Mama?’ Het huis is doodstil. ‘Mama?’ Daniel rent in paniek door de woonkamer. Johan grijpt hem stevig vast bij zijn bovenarmpjes en zakt door zijn knieën. Hij kijkt zijn zoon ernstig aan.
‘Mama is werken schat. Het is allemaal goed. We gaan ons zo douchen en aankleden en dan breng ik jou naar school. Kom hier.’

Hij doet het niet vaak, maar trekt zijn zoon nu eens stevig tegen zich aan. Die slaat zijn kleine armpjes om zijn nek, waardoor Johan glimlacht. Misschien is hij niet de beste vader in de wereld, maar hij probeert het wel. Dit kan Tessa hem nooit afnemen. Johan gluurt naar de muur. Boven de bank hangt een grote canvasafbeelding. Zijn vrouw en hij, toen ze in Salou waren. Hij krijgt nog steeds kriebels in zijn buik als hij naar haar kijkt. De blauwe bikini die haar borsten perfect omsluiten, de glimlach op haar prachtige gezicht, de natte blonde haren. Ze is prachtig. Nog steeds. Een steek van verdriet vlamt door zijn borstkast. Waar ging het mis tussen hun? Van de hitte die er in het begin vanaf spatte, is niets meer over. Hij heeft het af laten weten. Met een frons op zijn voorhoofd zet hij zijn zoon neer en loopt dan naar de keukentafel. Hij graait naar zijn telefoon. Vanuit het niets begint zijn hart te bonzen. Zijn onderlip trilt en donkere wolken pakken zich samen in zijn maagstreek. Hij wiegt zijn bovenlichaam zachtjes heen en weer als hij zijn iPhone ontgrendeld en zijn vrouw belt. Daan kijkt hem met grote ogen aan, hij heeft zijn linker duim in zijn mond en zijn rechterduim en wijsvinger om zijn oor. Zijn ogen zijn betraand.

“Johan?”
“Tess, ben je al op het werk?”
“Jezus, heb je echt zo weinig vertrouwen in me?”
“Wat? Nee, Tess, nee. Dat is het niet. Ik wilde alleen even weten of je veilig bent.”
“Waarom zou ik niet veilig zijn?”
“Nee, het is waarschijnlijk niets. Het is goed je stem even te horen.”
“Johan, wat is er in godsnaam aan de hand?”

Harland, couple, boy, girl

Tessa’s stem stijgt een octaaf en ze ademt hard in de microfoon. Het lijkt wel alsof ze Johans paniek door de telefoon kan voelen. Ruiken haast.

“Daniel?”
“Hij is hier, niets aan de hand.”

Alsof zijn zoon de woorden kracht bij wil zetten roept hij, nog altijd met de duim in de mond, hallo naar zijn moeder. Aan de andere kant van de lijn laat Tessa de lucht uit haar mond ontsnappen. Johan merkt dat hij ontspant nu hij haar spreekt, voor het eerst in maanden tijd.

“Luister, Johan. Ik kom naar huis. Ik weet niet wat er is, maar je klinkt gespannen en ik wil gewoon even bij Daan zijn nu. Hou hem maar thuis van school. Meld hem maar ziek of zo.” Even blijft het stil, maar dan spreekt ze de magische woorden waar hij in stilte zo naar verlangt. “En jezelf ook alsjeblieft.”

Nog voor hij kan reageren heeft ze de verbinding al verbroken. Het maakt hem niet uit. Ze heeft hem gekozen. Eindelijk heeft ze hem weer gekozen. De wereld is prachtig.

05.

Zelfs in haar slaap voelt mevrouw Dewitt-Jansen de stijfheid van haar rug. Haar lichaam bereidt zich voor op een dag vol schuifelen en creperen, maar haar geest is daar nog lang niet klaar voor. Ze verfrommelt haar gezicht tot een boze frons en draait zich dan van haar linkerzij om tot ze op haar rug ligt. Haar benen spreiden zich uit over het tweepersoonsbed dat maar voor de helft is gevuld. Jarenlang viel ze braaf aan haar kant van het bed in slaap en werd ze daar ook weer wakker. Tot zo’n vijf maanden geleden, toen haar dochter een voorschot op de erfenis vroeg. Herman zou het haar vast hebben gegeven, maar Jacqueline werd woedend. Pas op dat moment realiseerde zij zich dat ze haar hele leven in het teken van anderen had gezet. Als kind hielp ze haar moeder al mee met het verzorgen van haar gehandicapte broertje, later werd ze mantelzorger van haar vader, op haar negentiende trouwde ze met Herman en al snel kregen ze drie kinderen. Toen de jongste naar de middelbare school ging, is Jacqueline gaan werken in een verpleegtehuis. Ze was net twee maanden met pensioen toen de kanker ontdekt werd. Herman is nu drie jaar dood, vier alweer bijna. Jacqueline is de zeventig net gepasseerd en leert pas nu te leven. Dat heeft ze aan haar dochterlief te danken. Als die hebzuchtige niet zo brutaal was geweest, was het haar nooit duidelijk geworden. Dus vanaf dat moment nam ze het hele bed in beslag, deed ze extra jam op haar brood, at ze knakworstjes wanneer ze er zin in had en was ze al vijf weken naar Benidorm geweest. De wereld kon de pot op, haar dochter als eerste. Jacqueline had jarenlang gewerkt voor haar gouden jaren, ze zou ze krijgen ook.

De tak die normaal langs het slaapkamerraam schuurt, valt eenzaam op de grond voor hij net als de rest van de boom verdwijnt in het niets. De tentakels van de zwarte massa strekken zich traag uit in de richting van het hoekhuis aan de rand van het bos. Terwijl het zich langzaam maar zeker verspreidt, beginnen de mensen wakker te worden. Het duurt dan ook nog maar enkele minuten voordat de eerste schreeuw door de straat heen galmt. IJskoud en hoog, zodat de buren verschrikt uit de ramen kijken, rechtop in hun bedden zittend of van schrik de vaat uit hun handen laten kletteren. Er zitten nog geen drie minuten tussen het moment dat de eerste tentakel de baksteen van het hoekhuis omarmt en tussen de buurman die Jacquelines deur opent met zijn reservesleutel. Met vijf grote sprongen staat hij op de bovenverdieping. Hij weet dat de oude vrouw niet voor negen uur haar bed uitkomt. Nu hij echter bij haar slaapkamerdeur staat, voelt hij het schaamrood naar zijn kaken stijgen. Hij kan toch niet zomaar haar kamer binnenlopen? Wat moet ze wel niet denken? Het huis kraakt onder zijn voeten en zo ineens is de aarzeling verdwenen. “Jacq? Ik ben het, Franske.” Hij roffelt met zijn knokkels tegen het slecht geverfde hout van de slaapkamerdeur. Herman was nooit echt een klusser geweest. “Jacq, ik kom naar binnen hoor.” Hij ademt zwaar en realiseert zich dat hij vast als een perverseling moet klinken, maar de tweede schreeuw op straat sterkt hem in zijn heldhaftigheid. Hij zwaait de deur open die met een harde knal aan de binnenkant van de slaapkamer tegen de muur slaat en weer terugveert. In het korte moment dat hij de kamer kan zien, staren zijn ogen in de complete afwezigheid van alles. Zijn buurvrouw, nog met een schreeuw op haar gezicht, is er voor de helft in verdwenen. De terugverende slecht geverfde kamerdeur ontneemt hem ieder ander zicht. Zijn hart slaat zo hard en snel dat zijn aorta explodeert. Met trillende hand grijpt hij nog kort naar zijn borstkas voor hij achterover de trap af dondert. Zijn krakende nek is het laatste wat Franske hoort.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *