Het niets – deel 5

Harland, bubbles, pattern, surface

In 2020 nam ik deel aan de Harland Awards met mijn verhaal Het niets. Er waren 178 deelnemers, maar ik had het geluk om op de 35e plaats binnen te komen. Ik deel hieronder met trots het deel 5 van mijn inzending.

08.

Van het bospad is niets meer over. De zwarte wolk heeft zich langzaam naar voren geduwd. De politie probeert het publiek angstvallig weg te houden bij de ruwe randen die zich door het dorp schrokken. Het huis van Jacqueline is helemaal verdwenen en dat van Franske al voor de helft. Zijn vrouw probeert hem overal te vinden en loopt als een kip zonder kop door de menigte die bij de bosrand staat. Haar pad kruist zich met dat van Eloïse, die haar zoon Hendrik net verloren is. Ze huilt met harde uithalen terwijl ze haar borstkas vastgrijpt. Zijn vrienden beweren dat hij er zelf in liep, een van de Polen heeft hem zelfs nog terug proberen te halen. Zijn hand was verdwenen, dat moet er ook met Dikkie zijn gebeurd. Dikkie. Eloïse had een hekel aan die denigrerende bijnaam, maar haar zoon was er zo trots op geweest. Haar arme jongen.

De blauwe lichten flitsen af en aan. Steeds meer mensen verzamelen zich. Het is maar een klein dorp, de verhalen doen zich snel de ronden. Pedro kijkt met grote ogen om zich heen en probeert te begrijpen wat er gebeurt. Johan had al gezegd dat er iets aan de hand was, had hij maar door gevraagd. Aaltje, zijn taalcoach, komt naast hem staan en grijpt hem bij zijn biceps. Ze zoekt bescherming, geborgenheid. Pedro slaat zijn arm beschermend om haar heen en trekt de vrouw naar zich toe.

“What is happening?”
“Nederlands, schat.”
“Wat gebeurd er?”
“Ik heb werkelijk geen idee.”
“Waarom mensen zijn zo bang?”

man, young, african

Aaltje slikt. Tot een fractie van een seconde geleden had ze het antwoord niet geweten, maar nu staart ze er recht in. De grote zwarte afscheidingsschermen die de politie had geplaatst wankelen en vallen achteruit. 

“What is that?”
“Niets, dat is het niets.”

Mensen beginnen te wijzen en het geroezemoes zwelt aan.

“Hendrik! Mijn Hendrik zit daarin.”

Met een enorme snelheid rent Eloïse op het zwarte gevaarte af. Zonder ook maar af te remmen verdwijnt ze in de oceaan van afwezigheid en laat ze de toeschouwers in stilte achter. Dan begint het gegil. Hoog en schel, de vrouw van Franske. Het niets kruipt op haar af, alsof het zich voedt met haar geschreeuw, haar angst. Het verzwelgt alles op z’n pad, groeit met iedere hap. De tentakels worden langer, rekken zich verder uit, grijpen om zich heen. Pedro trekt Aaltje bij de rand weg en zet haar op zijn fiets.

“Ga. Weg hier.”
“Pedro?”
“Nee, sneller jij bent alleen. Ga.”

Ze kijkt over zijn schouder. Haar gezicht verandert in een grimas en haar lip trilt. Ze kijkt hem niet meer aan voordat ze zich omdraait en keihard wegfietst. Waar ze heen gaat, is hem onbekend. Pedro schrikt op van het geschreeuw vlak naast hem. Een jonge, atletische vrouw valt op de grond. Haar voet staat nog in de sportschoen, maar er mist een stuk van haar scheenbeen. Het is alsof iemand het heeft uitgegumd. De zwarte vlek verspreidt zich. Over haar losstaande voet, maar ook omhoog via haar scheenbeen naar haar dij. Pedro probeert te gillen, maar voelt dan de ijskoude vingers om zijn keel.

09.

Johan kijkt de soldaat smekend aan. Zijn vrouw staat letterlijk aan de andere kant van de weg. Daan weegt zwaar op zijn arm, maar hij weigert het om zijn zoon neer te zetten. Het is zijn enige kans op een greintje sympathie van die klootzakken. Daar moet hij het van hebben. Vrouwen en kinderen eerst toch? Het heeft geen zin om nu de macho uit te hangen, ook al wil hij nog zo graag. Iedere vezel in zijn lijf is gespannen, maar hij moet echt even aan zijn ventje denken. En aan zijn vrouw, die nu bevend staat te wachten.

“Kom op man, hij is pas vier. Mijn vrouw staat daar. Laat haar hierheen komen of ons daar, hij wil bij zijn moeder zijn, dat snap je toch wel?”
“Meneer, ik waarschuw u nog een keer. Neem afstand.”

De soldaat, nog een halve puber, staart hem hatelijk aan. Johan weet dat de knul niet kan wachten om zich te laten gelden. Hij zindert van woede. Daan duwt zijn neus dichter in zijn nek en snikt hartbrekend.

“Ik wil mijn mah-ha-ha-ma.”

De soldaat vertrekt geen spier. Hij grijnst nog net niet, maar kijkt de vader voor hem wel met een sprankje vermaak aan. Een sprankje plezier dat snel verdwijnt als er achter Johan ineens een enorm geschreeuw klinkt. Tientallen mensen komen naar de weg gerend, op de voet gevolgd door dat waar hij al zo bang voor was. Het niets. Zijn ogen worden groot en hij draait zich om naar de soldaat. De jongen, die net nog zo standvastig was, slikt terwijl hij de hectiek voor hem ziet. Hij pakt Johan ruw bij zijn bovenarm en trekt hem achter zich. Hij knikt nog even over zijn schouder terwijl hij zijn wapen pakt en gereed gaat staan. Deze mannen hebben geen opdracht nodig. Gezamenlijk beginnen zij met het legen van hun Colts C7’s. Een ritmisch geratel verlaat de lopen. Het lijkt wel een slechte speelfilm. Johan kijkt een seconde toe, slikt en draait zich dan om. Op vol tempo rent hij naar zijn vrouw. Ze moeten weg hier en snel.

De horror en angst is van Tessa’s gezicht af te lezen. Haar gezicht is nat van de tranen en verwrongen van angst. Ze rent op haar gezin af. Zodra Johan de kans krijgt, trekt hij haar tegen zich aan en slaat zijn vrije arm dicht om haar heen. Hij ruikt haar shampoo en glimlacht. Even, een klein momentje. Hij zou graag zijn neus dieper in haar haren drukken en de geur opsnuiven tot hij helemaal weg is, maar die gedachte doet hem denken aan wat achter hen is.

“Kom, we moeten gaan.”

Tessa kijkt naar hem op met grote betraande ogen en knikt alleen maar. Ze kust Daan en neemt hem over terwijl ze naar de auto knikt. De schreeuwende mensen komen dichter en dichterbij. Als ze niet snel zijn worden ze zo overspoeld.

Het geratel van de soldaten gaat door. Zij schieten niet op de dorpsgenoten, maar op die donkere vlek die zich nu als een soort kneedgum beweegt. De soldaten schieten en schieten en schieten. Er klinkt een harde, doffe knal. Een bazooka. Het niets trilt. Er is een zichtbare rimpeling over het niet aanwezige oppervlak. Het aanzicht is zo vreemd dat mensen stilstaan, hun geweer laten zakken of er zelfs voor omdraaien. Er is een laag statisch gegrom, voordat het niets al de geïncasseerde kogels terug spuugt naar de mensen. Iedereen binnen enkele tientallen meters van de wolk wordt ermee overspoelt. De kracht is zo hard dat de meeste kogels lichamen doorzeven om vervolgens nog een aardig stuk door te vliegen en in sommige gevallen nog een tweede slachtoffer te maken. Het geschreeuw verandert in doodspaniek. Lichamen bezaaien de weg, soldaten maken zich uit de voeten, de auto’s aan de zijkant van de weg vliegen weg met gierende banden. Johan wordt bijna geraakt door een Jeep die niet weet hoe snel hij van het dorp weg moet komen. Het is chaos. Tegen de tijd dat hij en zijn gezin in de auto zitten, staat het vol met auto’s. De panikerende bestuurders toeteren en gillen naar elkaar. Botsingen, tranen, ze kunnen nergens heen.

“Johan?”
“Het spijt me.”
“Mij ook.”
“Ik hou van je.”
“Ik hou ook van jou.”

Hij glimlacht en legt zijn hand over die van zijn vrouw. Hij kijkt naar Daniel in zijn achteruitkijkspiegel en koekeloert naar rechts of hij van de weg af kan. Hij weet niet hoe goed zijn auto kan off-roaden, maar het is beter dan hier op de dood te staan wachten. Hij schakelt naar zijn een en geeft gas. Zodra hij naar de smalle vrije strook naast de weg stuurt, ziet hij ook de auto’s achter hem op hoge vaart zijn kant uitschuiven. Hij ziet de paniek in de ogen van de bestuurder achter hem en de grote vrachtwagen erachter die gewoon doorrijdt. De klap is enorm. De hele auto trilt, het glas springt uit de sponningen en het metaal kraakt. Alles verandert in een rode waas en er klinkt een hoge pieptoon. Als er al iemand gilt, is er niemand meer om het te horen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *