Het niets – deel 1

milky way, stars, starfield, het niets

In 2020 nam ik deel aan de Harland Awards met mijn verhaal Het niets. Er waren 178 deelnemers, maar ik had het geluk om op de 35e plaats binnen te komen. Ik deel hieronder met trots het deel 1 van mijn inzending.

Proloog

De toppen van de bomen ruisen zachtjes in de wind, terwijl de duisternis zich als een dikke deken over de wereld legt. De vogels verstillen, op een enkele uil na. Op de achtergrond klinkt een orkest van krekels en sprinkhanen dat steeds luider en luider wordt. Het brengt een diepe serene rust met zich mee. Vanuit de bosjes schiet een spitsmuis het stoffige zandpad op. Hij stopt bij een hoefafdruk die is volgelopen met water om daar zijn dorst te lessen met het koele vocht. De weg wordt alleen verlicht door de maan en de opkomende sterren. Drie damherten bewegen zich soepel door de begroeiing naast het pad. Ze stoppen zo nu en dan om op te kijken en de omgeving te scannen. De spitsmuis is verdwenen, maar iets anders trekt hun aandacht. Boven de toppen van de hoge bomen, nog voorbij het aangrenzende dorp, komt een duistere bol traag op de aarde af. Het is nog op kilometers afstand, maar hier schieten de herten al weg.

De bol komt dichter en dichter bij de aarde. Het is geen perfecte ronde vorm, maar heeft harde en ruwe randen. Vanuit de kern steken tentakels hongerig naar buiten en grijpen alles vast wat voor handen komt; van sterrenstof tot ruimteafval. Het laat een donkere streep achter in het wolkendek, maar er is niemand die het ziet. Terwijl het langzaam een scheur in de atmosfeer maakt, verspreidt zich de geur van vers gemaaid gras. Vogels beginnen woest te fladderen en vosjes schreeuwen hun kelen schor. Tot de eerste tentakel de grond raakt. Dan is het stil. Het is hier.

01.

Johan luistert naar het ritme van zijn voeten op de oneffen stoeptegels. Een gedempt geluid dat een vreemde afgekapte echo heeft. Zijn knieën trillen bij iedere klap en zijn rug kreunt. Het is jaren geleden dat hij dit voor het laatst heeft gedaan. Hij heeft zijn lichaam laten verslonzen. Zijn haargrens heeft zich enkele centimeters teruggetrokken, zijn huid heeft een asgrauwe kleur van het alsmaar achter die computer zitten en zijn gezicht is de definitie van pafferig. Al die kaasjes en wijntjes in de afgelopen jaren hebben hem geen goed gedaan. Ooit was hij een sterke jonge man. Nooit een echte adonis, maar wel acceptabel te noemen. Nu is hij een uitgezakte papzak. Woest knijpt hij zijn wenkbrauwen bij elkaar en dwingt zichzelf iets harder te lopen. Dit slakkengangetje is niet voldoende. Hij hijgt zwaar en negeert de steken in zijn zij. Hij overweeg niet eens om zichzelf te masseren. Dit is wat hij zichzelf heeft aangedaan door al die chips te eten, hij vindt dat hij dat best mag voelen. Misschien dat hij ze dan eindelijk eens kan laten staan.

Op zijn knalrode fietsje racet Daniel zijn vader voorbij. Hij giechelt. Zijn oranje vlaggetje flappert in de wind als een zeilbootje op de zee in een ruwe storm. Hij fietst tot het einde van de stoep en dan weer terug naar hem. Zijn vader laat hem, en daar is hij blij om. Het is de laatste tijd al lastig genoeg thuis. Als papa niet loopt te vloeken, dan loopt mama wel te schreeuwen. Ze stoppen altijd als Daniel de kamer inloopt. Denken vast dat hij het niet hoort. Hij hoort het wel en denkt op die momenten aan zijn vriendinnetje Eva. Die moest een tijdje terugverhuizen omdat haar ouders zo’n ruzie hadden gehad, dat het nooit meer goed kwam. Misschien was dat tussen zijn papa en mama ook wel zo.

Johan is bijna bij de hoek en ziet zijn zoon weifelend staan. Het kind is in diepe gedachten verzonken. Dat gebeurt de laatste tijd steeds vaker. Ze hebben gefaald, hij en zijn vrouw. Hun zoon is het slachtoffer daarvan. Hoe hebben ze dit zo ver kunnen laten komen? Al die nachtelijke ruzies, Daniel die plots weer in zijn bed plast, een en een is twee toch? Dit was hun schuld.

“Tering tyfus,” hijgt hij tegen zichzelf. Daan kijkt op, lijkt wakker te worden en grijnst dan zijn kleine scherpe tandjes naar hem bloot. Wat een prachtventje is het toch ook. Als die trut denkt dat ze hem zo maar mee kan nemen, dan heeft ze het goed mis. Prima, ze kan krijgen wat ze wilt. Hij heeft geen moeite om van haar te scheiden. Als zij alles wil opgeven waar ze de afgelopen jaren zo hard voor hebben gewerkt, so be it, maar Daniel blijft bij hem. Het is zijn zoon. Niet van een of andere gladjakker die ze straks weer om haar vingertje bindt. Vast die engerd die pas naast hun is komen wonen. Zo’n gluiperige Spanjool. Johan huivert. Nee, daar gaat hij zijn kind toch niet aan blootstellen? Hij past wel op. Zijn zoon verdient een goed voorbeeld.

Terwijl zijn vader in zijn eigen gedachten zit, trapt Daan zo hard als hij kan. Hijgend en vuurrood komt zijn vader achter hem aangehold. Hij vindt het prachtig.

“Nog een klein stukje,” kirt hij opgewonden. Johan, die alleen maar heftig met zijn hoofd kan schudden, is er helemaal klaar mee. Toch schiet zijn zoon de straat over naar het smalle bospad. Daniel is dol op het bos. Hij wil er samen met zijn vader naar toe, heel even maar.  De bomen omsluiten hem al, maar zodra hij voor de ingang van het pad staat remt hij direct af. Voor hem, aan het einde van de gang van bomen, stopt de wereld. Er is helemaal niets. Hij tuurt in het donkerte en voelt hoe zijn maag omkeert. Waar komt dit vandaan? Een enorme angst overspoelt hem. Zijn kleine beentjes zetten zich af tegen het grind dat gelijk alle kanten op spat. Zijn voet schiet weg en hij kukelt met fiets en al ondersteboven. De donkere afwezigheid golft op hem af. Daniel draait zich om en probeert weg te kruipen, maar er zit iets aan zijn been.

forest, nature, jogging, het niets

“Nee, nee. Papa, help! Papa!” Hij krijst het uit terwijl de tranen over zijn wangen lopen. Johan, die al geïrriteerd achter hem aan was gelopen, hoort de paniek en zet het nu op een sprinten. Binnen enkele secondes zit hij naast zijn zoon en trekt hem van onder de fiets naar zich toe. Hij houdt hem stevig vast.

“Daantje, ik ben hier. Ik heb je. Wat is…” Halverwege de zin valt zijn stem weg. Hij kijkt het bospad in en zijn hart zakt. Het gevoel van onbehagen overspoelt hem zo snel dat hij bijna over zijn nek gaat. Bijna. Hij houdt zijn huilende zoon in een arm en grijpt met de andere het fietsje. Hij ziet niets, alsof hij blind is. Die afwezigheid van alles huivert echter, rilt. Hongerig kruipt het op hen af. Hoe harder Daniel huilt, hoe dichter het bij ze komt. Ze moeten hier weg.

“Wat is dat, papa? Is dat waar de monsters wonen?”

Johan snuift en wil even zeggen dat er geen monsters bestaan, maar wat is dit dan? Een zwart gat, een portaal? Hij loopt voorzichtig achteruit terwijl hij ineens realiseert dat de wereld veel meer geheimen voor hem heeft dan hij kan bedenken. Misschien is dit inderdaad wel waar de monsters wonen. Monsters die hen zullen verslinden met huid en haar. Hij wordt ijskoud als er nog een rimpel door het zwart heen trekt.

“Ik hoop het niet, vent,” zegt hij met aarzelende stem. Zijn lichaam staat gespannen en hij is klaar om te vluchten. “Laten we gaan.”

“Ja, papa.”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *